S.3 Katernen
Prijzen en volumes
De waarde van de internationale handel in landbouwgoederen lag in de eerste helft van 2025 fors hoger dan een jaar eerder, vooral als gevolg van prijsstijgingen. Invoerprijzen stegen met 15% en uitvoerprijzen met 11%, terwijl de invoer- en uitvoervolumes beperkt toenamen (+2% respectievelijk +1%). Zie paragraaf 6.2.
Bij cacaobereidingen waren de prijsstijgingen uitzonderlijk groot: de invoerprijzen lagen 102% en de uitvoerprijzen 96% hoger dan in de eerste helft van 2024. Tegelijkertijd nam zowel het in- als uitvoervolume af. Zie paragraaf 6.2.
Het invoervolume van fruit nam in de eerste helft van 2025 sterk toe (+21%), terwijl er bij natuurlijke vetten en oliën hogere prijzen waren (+19%) en een lager invoervolume (-10%). Zie paragraaf 6.2.
De uitvoer van bloemen en planten groeide in waarde met bijna 3%, gelijkmatig verdeeld over een hoger uitvoervolume en hogere gemiddelde prijzen. Zie paragraaf 6.2.
De uitvoer van zuivel en eieren nam in waarde toe (+12%), hoofdzakelijk door hogere prijzen (+13%), terwijl het uitvoervolume licht daalde. Zie paragraaf 6.2.
Na twee jaar van krimp nam in 2024 het invoer- en uitvoervolume van landbouwgoederen weer toe. Het exportvolume lag daarmee boven het niveau van vóór de coronacrisis (2019), terwijl het importvolume nog iets lager uitkwam en beide onder de piekniveaus van 2021-2022 bleven. Zie paragraaf 6.3.
Het EU-handelsbeleid
De EU is wereldwijd de grootste exporteur én importeur van landbouw- en landbouwgerelateerde goederen. In 2024 bedroeg de export 235 miljard euro en de import 172 miljard euro, wat resulteerde in een handelsoverschot van circa 63 miljard euro. Zie paragraaf 7.1.
Het EU-handelsbeleid is onderdeel van de Common Commercial Policy, waarbij lidstaten hun bevoegdheden voor externe handel hebben overgedragen aan de Europese Commissie. Voor landbouw ligt de basis van dit beleid in afspraken gemaakt binnen de WTO, met als doel handelsbelemmeringen en marktverstorende steun af te bouwen en zo te komen tot een eerlijker, marktgeoriënteerd internationaal handelssysteem, met behoud van bescherming voor concurrentiegevoelige sectoren. Zie paragraaf 7.2.
Handelsstromen met preferentiële partners zijn van groot belang: in 2024 ging 58,7% van de EU-export van landbouwgoederen naar landen met een handelsakkoord, waarbij de export naar deze partners sneller groeide dan naar landen waar geen handelsakkoord mee is afgesloten. Zie paragraaf 7.2.
Duurzaamheid en mensenrechten spelen een steeds prominentere rol in het EU-handelsbeleid via Trade and Sustainable Development-hoofdstukken in handelsakkoorden en via unilaterale maatregelen zoals de EUDR, CBAM en due-diligenceverplichtingen, waarmee duurzaamheidseisen worden gekoppeld aan markttoegang of ketenverantwoordelijkheid. Zie paragraaf 7.3.
De EU-landbouw is in de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot een competitieve en sterk marktgerichte speler in de mondiale handel, mede door hervormingen van het GLB onder invloed van WTO-afspraken. Handelsakkoorden versterken daarbij niet alleen de concurrentiekracht, maar ook de strategische autonomie en de stabiliteit van voedselketens. Ook stimuleren de akkoorden duurzaamheidsinitiatieven. Zie paragraaf 7.4.
De VS is voor Nederland een belangrijke handelspartner voor landbouwgoederen, alhoewel het belang van de VS als afzetmarkt voor Nederland al jaren daalt. De recente afspraken tussen de EU en de VS over importtarieven, met een algemeen tariefplafond van 15%, kunnen het aandeel van de VS in de Nederlandse landbouwexport verder laten dalen, vooral bij prijselastische producten zoals vis, groente & fruit en zuivel. Alhoewel de impact op sectorniveau beperkt blijft, kan deze voor individuele bedrijven aanzienlijk zijn. Zie paragraaf 7.5.
Nederlandse landbouwhandel met Aziatische landen
De ASEAN-regio (Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties) is een vrijhandelszone van elf landen in Zuidoost-Azië, gericht op het bevorderen van handel en economische groei. De regio staat in de belangstelling omdat het een grote groeimarkt is: naar verwachting zijn de elf landen gezamenlijk in 2030 de vierde economie van de wereld. Zie paragraaf 8.1.
ASEAN is de belangrijkste Aziatische regio voor de Nederlandse landbouwimport. Het aandeel van deze regio in de totale Nederlandse landbouwimport is licht gegroeid van 6,1% in 2010 tot 6,3% in 2024. Er staan vijf ASEAN-landen in de top 10 van Aziatische leveranciers voor de Nederlandse landbouwimport. Dat zijn Maleisië en Indonesië (onder andere palmolie), Vietnam (onder andere koffie en cashewnoten), Thailand (onder andere pluimveevlees) en de Filipijnen (onder andere kokosnoten en -olie). Zie paragraaf 8.2.
ASEAN is daarentegen de minst belangrijke Aziatische regio voor de Nederlandse landbouwexport. Het aandeel van deze regio in de totale Nederlandse landbouwexport is licht gegroeid van 1,1% in 2010 tot 1,2% in 2024. Er staan twee ASEAN-landen in de top 10 van Aziatische bestemmingen voor de Nederlandse landbouwexport, de Filipijnen op 8 en Singapore op 9. Nederland exporteert vooral varkensvlees naar de Filipijnen. Naar Singapore gaat een heel divers exportpakket, van chocolade tot boter. Maleisië, Indonesië en Vietnam vallen net buiten de top 10. Zie paragraaf 8.3.
Op basis van analyses van economiegrootte, omvang van de Nederlandse landbouwexport en verwachte economische groei lijkt Indonesië een interessant land om te onderzoeken wat betreft extra exportkansen voor de Nederlandse agrosector. Indonesië is een grote economie (34% van het totaal van ASEAN), waar Nederland nog relatief weinig landbouwgoederen naar exporteert. Bovendien heeft de EU recent een nieuw (nog te accorderen) handelsakkoord getekend met Indonesië. Er zijn bovendien producten die Nederland relatief veel afzet in Azië, maar nog relatief weinig in Indonesië. Zie paragraaf 8.4.
Handel met Oekraïne en Rusland
De Nederlandse landbouwinvoer uit Oekraïne bereikte in 2024 met 1,85 miljard euro het hoogste niveau sinds 2013, ruim driemaal zoveel als in dat jaar. De groei van de invoerwaarde werd vooral gedreven door natuurlijke vetten en oliën en oliehoudende zaden en vruchten; ook de invoer van graan nam toe, met name mais. Zie paragraaf 9.2.
De Nederlandse landbouwuitvoer naar Rusland steeg in 2024 tot 924 miljoen euro, waarmee een einde kwam aan de dalende trend sinds 2019. De toename van de uitvoerwaarde was vooral zichtbaar in sierteelt en cacaobereidingen. Zie paragraaf 9.2.
Tegelijkertijd namen de exportverdiensten naar Rusland en Oekraïne bij meerdere productgroepen sterk af. De verdiensten aan oliehoudende zaden en vruchten naar Rusland daalden van 44 miljoen euro in 2021 naar 2 miljoen euro in 2024; ook de verdiensten aan sierteelt liepen terug, zowel naar Rusland als Oekraïne. Zie paragraaf 9.2.
In de eerste acht maanden van 2025 nam het aandeel landbouwproducten in de totale Nederlandse invoer uit Oekraïne verder toe tot 91%, terwijl het aandeel landbouwproducten in de export naar Oekraïne steeg tot 37%. Zie paragraaf 9.3.
De landbouwinvoer uit Oekraïne in 2025 werd gedomineerd door zonnebloemolie en mais. Ten opzichte van 2021 steeg de invoer van natuurlijke vetten en oliën met 15%, terwijl de graaninvoer met 20% daalde. Frankrijk ging Oekraïne voorbij als belangrijkste leverancier van mais; samen waren beide landen goed voor circa 80% van de Nederlandse maisinvoer. Zie paragraaf 9.3.
Cacaobereidingen waren in 2025 opnieuw het belangrijkste Nederlandse exportproduct naar Oekraïne. De exportwaarde steeg sterk ten opzichte van 2021, van 50 miljoen euro naar 126 miljoen euro in de eerste acht maanden, gevolgd door sierteelt en fruit. Zie paragraaf 9.3.
De Nederlandse landbouwinvoer uit Rusland bleef in 2025 zeer beperkt (46,5 miljoen euro in de eerste acht maanden; −78% ten opzichte van 2021) en bestond voor 95% uit vis. Zie paragraaf 9.4.
Binnen de sterk afgenomen handelsrelatie is Rusland wel belangrijker geworden als leverancier van meststoffen, met een aandeel van 2% in de Nederlandse meststoffenimport en een tiende plaats in 2025. Zie paragraaf 9.4.
De Nederlandse landbouwexport naar Rusland bedroeg in de eerste acht maanden van 2025 770 miljoen euro (+22% ten opzichte van 2021). Sierteelt bleef het belangrijkste exportproduct, terwijl de uitvoer van cacaobereidingen en fruit duidelijk groeide. Zie paragraaf 9.4.
Uitgangsmateriaal in de akker- en tuinbouwsector
Nederland is een mondiale koploper in de ontwikkeling, productie en export van plantaardig uitgangsmateriaal (zoals zaden, knollen, stekken en jonge planten), dat de basis vormt voor de akker- en tuinbouwproductie wereldwijd. Zie paragraaf 10.1.
Hoogwaardig en gezond uitgangsmateriaal draagt bij aan opbrengstzekerheid, voedselzekerheid en weerbare teeltsystemen, onder meer door het verminderen van ziektedruk en de afhankelijkheid van chemische gewasbescherming. Zie paragraaf 10.2.
De sector omvat ruim 7.000 bedrijven in productie en handel en circa 200 veredelingsbedrijven, biedt ongeveer 14.000 banen en is regionaal geconcentreerd in onder meer Seed Valley, het Westland en Noord-Limburg. Nederland huisvest zeven van de tien grootste groentezaadbedrijven ter wereld. Zie paragraaf 10.3.
De sector is sterk kennis- en innovatiegedreven: gemiddeld wordt circa 15% van de omzet geïnvesteerd in R&D, oplopend tot 30% bij groenteveredelaars, met focus op opbrengstverhoging, resistenties en klimaatbestendige teeltsystemen. Zie paragraaf 10.4.
De export van plantaardig uitgangsmateriaal bedroeg in 2024 ruim 5 miljard euro, een stijging van 31% ten opzichte van 2020 en meer dan een verdrievoudiging sinds 2000. Groentezaden (45%), bloembollen (34%) en pootaardappelen (12%) vormen de belangrijkste exportcategorieën. Zie paragraaf 10.6.
De handel in groentezaden laat een sterke langjarige groei zien: de exportwaarde steeg tot 2,25 miljard euro in 2024, terwijl de import rond een derde daarvan bleef. Circa 58% van de export ging naar landen buiten de EU, met een sterk toegenomen aandeel voor Noord-Amerika en een verbreding van herkomstlanden aan de importzijde. Zie paragraaf 10.7.