Opzet van het Basismeetnet
In het LMM wordt op zo'n 460 bedrijven de landbouwpraktijk en waterkwaliteit gemeten. Het LMM bestaat uit 2 onderdelen, te weten: het Basismeetnet waaraan zo'n 250 bedrijven deelnemen en het Derogatiemeetnet dat op 300 bedrijven met derogatie is gericht. Uit efficiency overwegingen is er een overlap in deelnemers:; zo'n 90 van de 460 LMM-bedrijven nemen deel aan beide meetnetten.
Het Basismeetnet is gericht op de belangrijkste vormen van landgebruik binnen een regio. Dat betekent dat alleen bedrijfstypen met een groot aandeel in het areaal cultuurgrond binnen een regio, in de steekproef worden opgenomen. Onderstaande figuur laat per regio zien op welke bedrijfstypen het Basismeetnet gericht is. Naast akkerbouw- melkvee- en staldierenbedrijven zijn dat ook de overige dierbedrijven. Het type 'overige dierbedrijven' is een verzameling van bedrijfstypen en omvat naast gespecialiseerde bedrijven met graasdieren zoals geiten en schapen, ook gemengde bedrijven met meerdere veehouderijtakken of met combinaties van veehouderij en plantenteelt. In de Veenregio bevinden zich in het Basismeetnet alleen melkveebedrijven. In de andere grondsoortregio's zijn, naast melkveebedrijven, akkerbouw- en overige dierbedrijven in de steekproef opgenomen. Bedrijfstype staldieren is uitsluitend in de Zandregio opgenomen. In de Zandregio zijn er in totaal 4 bedrijfstypen, in de Kleiregio en de Lössregio zijn dat er 3. De steekproefopzet bevat in totaal 251 bedrijven.
Opzet van het Basismeetnet
Het Basismeetnet ging in 1992 in de Zandregio van start en is in de loop van de jaren verder uitgebreid naar de Klei-, Veen- en Lössregio.Het Basismeetnet is gericht op de belangrijkste vormen van landgebruik binnen een regio. Dat betekent dat alleen bedrijfstypen met een groot aandeel in het areaal cultuurgrond binnen een regio, in de steekproef worden opgenomen. Onderstaande figuur laat per regio zien op welke bedrijfstypen het Basismeetnet gericht is. Naast akkerbouw- melkvee- en staldierenbedrijven zijn dat ook de overige dierbedrijven. Het type 'overige dierbedrijven' is een verzameling van bedrijfstypen en omvat naast gespecialiseerde bedrijven met graasdieren zoals geiten en schapen, ook gemengde bedrijven met meerdere veehouderijtakken of met combinaties van veehouderij en plantenteelt. In de Veenregio bevinden zich in het Basismeetnet alleen melkveebedrijven. In de andere grondsoortregio's zijn, naast melkveebedrijven, akkerbouw- en overige dierbedrijven in de steekproef opgenomen. Bedrijfstype staldieren is uitsluitend in de Zandregio opgenomen. In de Zandregio zijn er in totaal 4 bedrijfstypen, in de Kleiregio en de Lössregio zijn dat er 3. De steekproefopzet bevat in totaal 251 bedrijven.
Grafiek wordt geladen...
Selectie en werving
Deelnemers voor het Basismeetnet worden zoveel mogelijk geselecteerd uit de steekproef van bedrijven die deelnemen aan het Bedrijveninformatienet van Wageningen Social & Economic Research. Het grote (kosten)voordeel hiervan is dat in het Bedrijveninformatienet al veel data over de bedrijfsvoering en nutriëntenstromen verzameld worden, waar het LMM-onderzoek gebruik van kan maken. In de Lössregio en in het Zuidelijk Zandgebied is een deel van de Basismeetnet bedrijven, vanwege een tekort aan selectiepotentieel in het Bedrijveninformatienet, uit de Landbouwtelling geselecteerd. Ook deze aanvullend geworven LMM-bedrijven zijn (op kosten van het LMM project) in het Bedrijveninformatienet opgenomen, zodat voor alle Basismeetnet bedrijven de landbouwpraktijk in beeld kan worden gebracht.De selectie van deelnemers gebeurt door middel van aselecte trekking. Naast het bedrijfstype speelt ook de bedrijfsomvang nog een rol bij de vraag of een bedrijf voor deelname aan het basismeetnet in aanmerking komt of niet. Bedrijven met minder dan 10 ha worden van deelname uitgesloten en behoren dus niet tot de doelpopulatie voor het Basismeetnet. Ook is een economische omvang van tenminste 25.000 euro Standaardopbrengst vereist. Dit laatste criterium wordt ook gehanteerd bij deelnemers voor het Bedrijveninformatienet.
Er worden in het LMM vaste steekproeven nagestreefd, met zo min mogelijk afvallers. Deelnemers aan het Basismeetnet kunnen blijven deelnemen, zo lang ze binnen de doelpopulatie vallen. Jaarlijks vallen 10 tot 20 van de 251 deelnemers af. Afvallers moeten vervangen worden. Bij de meeste afvallers is de reden gelegen in bedrijfsbeëindiging. De deelnemer heeft het bedrijf verkocht of al zo ver afgebouwd dat het niet meer aan de minimaal vereiste 10 ha cultuurgrond of 25.000 euro Standaardopbrengst voldoet.