Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

     
Actuele ontwikkeling
Kies een thema
Algemeen

Economie

Maatschappij

Milieu

 
  
  
   
   
   
Antibioticagebruik - Veehouderij

Totaal gebruik antibiotica in veehouderijsectoren daalt licht in 2025
5-8-2026
Het antibioticagebruik in de Nederlandse veehouderij wordt intensief gevolgd door de Autoriteit Diergeneesmiddelen (afkorting: SDa). Voor het monitoren van het gebruik zijn er twee bronnen van informatie: 1) de verkoop van antibiotica in kilogrammen actieve stof voor de hele veehouderij gebaseerd op verkoopgegevens van de farmaceutische industrie en 2) de monitoring van het antibioticagebruik op de veehouderijbedrijven op basis van gegevens vastgelegd door veehouders en dierenartsen. De diersectoren die gemonitord worden zijn de vleeskalveren, vleeskuikens, varkens, geiten, rundvee, leghennen, konijnen, kalkoenen en eenden. Sectoren die niet gemonitord worden zijn bijvoorbeeld de schapensector, paarden en gezelschapsdieren.

De landelijke verkoop van antibiotica, uitgedrukt in kilogrammen actieve stof, is in 2025 ten opzichte van 2024 met 6,8% afgenomen. Voorgaande twee jaren was de verkoop in 2024 met 8,6% gestegen ten opzichte van 2022. Over een langere periode lijkt de verkoop te stabiliseren. Ten opzichte van referentiejaar 2009 bedraagt de daling in 2025 ruim 77%. Ook is het gebruik uitgedrukt in massa werkzame stof afgelopen jaar, in alle gemonitorde diersectoren samen, afgenomen.



De daling in de totale verkoop ten opzichte van het door de overheid aangewezen referentiejaar 2009 is in 2025 77,2%: van ongeveer 495 ton in 2009 naar 113 ton in 2025 (zie figuur). Naast de daling van de verkoop van antibiotica is de veestapel ook gekrompen. Deze krimp is echter kleiner dan de daling in de verkoopcijfers en is daarom niet de enige verklaring.

Monitoring antibioticagebruik
Op basis van de monitoring van het antibioticagebruik op de Nederlandse bedrijven, is het gebruik van antibiotica in de verschillende veehouderijsectoren bekend. De veehouderijsectoren leveren gegevens aan de SDa over het verbruik van de gehele sector, gebaseerd op het gebruik op individuele bedrijven.

Er zijn grote verschillen in antibioticagebruik tussen sectoren en de SDa (2026) wijst erop dat met name het antibioticagebruik in de vleeskuiken- en kalversector aandacht behoeven. Opvallend is de ontwikkeling in de varkenshouderij. Nadat het antibioticagebruik in 2024 nog licht was toegenomen, is dat in 2025 via strenge normstellingen en gerichte managementaanpassingen teruggebracht naar het niveau van voorgaande jaren. De rundveesector laat opnieuw een stabiel beeld zien met een antibioticagebruik wat zich al meerdere jaren op een relatief laag niveau bevindt.

Een uitschieter is te zien in de vleeskuikensector. Daar steeg het antibioticagebruik in 2025 met bijna 25 procent ten opzichte van het voorgaande jaar. De oorzaak is nog niet bekend en wordt momenteel door de sector onderzocht. In de leghennensector is het gebruik laag. Op het merendeel van de leghennenbedrijven wordt geen antibiotica gebruikt. En ook bij de opfok van leghennen is het antibioticagebruik stabiel en laag.

In de kalverhouderij blijft het antibioticagebruik relatief hoog. Volgens de SDa is de huidige aanpak onvoldoende effectief om verdere stappen te zetten en is een nieuwe strategie nodig om het antibioticagebruik te reduceren. Voor de geitensector plaatst de SDa een kanttekening bij de betrouwbaarheid van de beschikbare gegevens. De registratie is volgens de autoriteit nog niet volledig genoeg om harde conclusies te trekken. Voor zover nu bekend is het antibioticagebruik in de geitensector ten opzichte van het vorige jaar licht gestegen, maar blijft het antibioticagebruik laag.

In de kleinere veehouderijsectoren laat het gebruik van antibiotica een overwegend stabiel beeld zien. In de kalkoenhouderij bleef het gebruik laag en veranderde er weinig ten opzichte van 2024. Ook in de konijnenhouderij zette de dalende trend door, al blijft het gebruik daar relatief hoog in vergelijking met de meeste andere sectoren. In de eendenhouderij bleef het gebruik eveneens stabiel op een laag niveau.

Patroon gebruik eerste-, tweede- en derdekeuzemiddelen redelijk stabiel
Om zieke dieren adequaat te kunnen behandelen, maar daarbij het risico op resistente bacteriën zo klein mogelijk te maken, zijn er afspraken gemaakt welke groepen antibiotica als eerste, tweede en derde keus gebruikt kunnen worden. In de meeste sectoren is er een redelijk stabiel patroon in het gebruik van eerste-, tweede- en derdekeuzemiddelen. Eerste keus antibiotica zijn de voorkeursmiddelen die een dierenarts direct mag inzetten bij een vermoede bacteriële infectie (empirische therapie), terwijl tweede keus antibiotica alleen onder strikte voorwaarden mogen worden gebruikt, bijvoorbeeld als eerste keus middelen niet aanslaan. Derde keusmiddelen zijn kritieke middelen die primair gereserveerd zijn voor de humane gezondheidszorg. Deze middelen mogen veterinair in principe niet worden toegepast, tenzij het strikt noodzakelijk is voor een individueel dier na bacteriologisch onderzoek en gevoeligheidsbepaling.

Bij de gemonitorde sectoren bestaat 75% van het gebruik uit eerstekeuzeantibiotica, 24% uit tweedekeuzeantibiotica en 1% uit derdekeuzeantibiotica (met name polymyxines). Bij vleeskonijnen en eenden is er geen gebruik meer van derdekeuzeantibiotica. Het gebruik van colistine (dat is een derdekeuzemiddel en valt onder de polymyxines) is in 2025 opnieuw gedaald. In veel sectoren wordt (vrijwel) geen colistine meer gebruikt (kalkoenen, eenden, overig rundvee en vleeskonijnen). Enkel in de leghennenhouderij ligt het colistinegebruik nog boven de benchmarkwaarde van de European Medicines Agency (EMA) (SDa, 2026). Het gebruik van derde keus antibiotica in de diergeneeskunde is drastisch afgenomen door strikte wettelijke regulering, verplichte laboratoriumtesten en streng toezicht om de volksgezondheid te beschermen tegen antibioticaresistentie.

Nederlands antibioticabeleid door de tijd
Duidelijke sturing van het antibioticagebruik door de overheid begon in 2008 met een Convenant, een publiek-private overeenkomst, waarin de grote veehouderijsectoren en de KNMvD (Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde) aangaven hun verantwoordelijkheid te zullen nemen voor effectieve maatregelen, onder toezicht en met ondersteuning vanuit de overheid. De belangrijkste elementen in het beleid waren:
• monitoring van landelijke verkopen van antibiotica, sinds 1999
• monitoring van het antibioticagebruik per sector, sinds 2004
• duidelijke reductiedoelstellingen vanuit de overheid voor heel Nederland, in 2011: -20%, 2013: -50%, 2015: -70% (ten opzichte van het referentiejaar 2009)
• benchmarken van het antibioticagebruik per bedrijf en per dierenarts, sinds 2011
• verbeterde diergezondheid, duidelijker verantwoordelijkheden in diergezondheidsmanagement en in het voorschrijven en leveren van antibiotica, door verplichte bedrijfsgezondheidsplannen, één vaste dierenarts per bedrijf en verplichte periodieke veterinaire bedrijfsbezoeken.

Ervaringen in Nederland laten zien dat een actief beleid ter vermindering van het antibioticagebruik kan werken. Belangrijk is dat bedrijfsadviseurs en leveranciers, zoals dierenartsen en de diervoederindustrie, actief worden betrokken om een vermindering van het antibioticagebruik te kunnen realiseren. Veehouders moeten kunnen kiezen voor de meest geschikte combinatie van maatregelen, passend binnen hun bedrijf. Om een substantiële vermindering van het antibioticagebruik te bereiken, is een gevoel van urgentie vereist, gecombineerd met een doelgericht beleid en duidelijke, ambitieuze doelstellingen.

Geen economische schade
Stakeholders vreesden dat vermindering van antibiotica in de veehouderij een negatief effect zou hebben op de productiviteit en de economische bedrijfsprestaties. Sinds de hervormingen van het antibioticabeleid vanaf 2008 kan echter noch in de varkenssector, noch in de vleeskuikensector een neerwaartse trend in het gezinsinkomen worden waargenomen, die gerelateerd kon worden aan een verminderd antibioticagebruik (Bergevoet et al., 2019).

One Health-beleid
Het antibioticabeleid in Nederland is onderdeel geworden van de One Health-aanpak. Samen met professionals in de zorg, veehouderij, voeding en milieu ondernemen de verschillende ministeries actie. De integrale One Health-aanpak omvat zorgvuldig antibioticagebruik, betere monitoring en toezicht, onderzoek naar nieuwe middelen en alternatieven, infectiepreventie en communicatie. Dit is om antibioticaresistentie zoveel mogelijk te voorkomen.


Kies een indicator
Deze informatie voor

Contactpersoon
Communicatie SSG
070-3358330
 

Referenties



Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief


naar boven