Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

     
Voedsel-Economisch Bericht
Kies een thema
Internationaal

Agrarische keten

Primaire sector

Consumptie

 
 
 
 
  
Structuur van de keten - Varkenshouderij

De varkensproductieketen
3/17/2020
De Nederlandse varkenssector kende in 2018 bijna 4.200 bedrijven die gezamenlijk zo’n 24,5 miljoen dieren per jaar produceerden. Van de Nederlandse productie zijn 11 miljoen dieren levend geëxporteerd, de rest werd binnenlands geslacht. Hoewel het aantal bedrijven de laatste decennia sterk afneemt, is het aantal dieren nauwelijks gedaald. Sinds 1998 is in Nederland het totaal aantal varkens begrensd via varkensrechten in plaats van de mestproductierechten (grondgebonden en niet-grondgebonden rechten). Momenteel zijn er ongeveer 8,7 miljoen varkensrechten, wat 27% minder is dan in 1998. Er waren in 2018 in totaal 12,4 miljoen varkens aanwezig in Nederland, waarvan 923.000 zeugen en 5,6 miljoen vleesvarkens, en verder biggen, beren en opfokdieren.





Van gemengd naar gespecialiseerd en grootschalig in concentratiegebieden
De varkenshouderij is sterk geconcentreerd in Oost-Brabant en Noord-Limburg. Daarnaast zijn er kleinere concentraties in Overijssel, Oost-Gelderland, de Gelderse Vallei en Westelijk Brabant. Van oudsher werden op veel landbouwbedrijven enkele varkens gehouden, vooral om restanten van oogsten en andere producten tot waarde te brengen. Vanaf midden vorige eeuw werden gemengde bedrijven vaak te klein om werk te verschaffen aan meerdere kinderen. Mede door de schaarste aan cultuurgrond werd gezocht naar intensievere bedrijfstakken waarvoor weinig of geen grond nodig is. Ook dankzij de beschikbaarheid van goedkope veevoergrondstoffen via de haven van Rotterdam, groeide de varkenshouderij uit tot een belangrijke bedrijfstak. Verdere specialisatie en schaalvergroting zorgde voor een professionele varkenssector, ondersteund door eveneens groeiende bedrijven voor toelevering en verwerking van producten en diensten.
Het aantal dieren per bedrijf is in de afgelopen decennia fors gestegen. Gespecialiseerde zeugenbedrijven hebben gemiddeld 770 zeugen; gespecialiseerde vleesvarkens- en gesloten varkensbedrijven hebben circa 2.100 vleesvarkens respectievelijk bijna 2.700 vleesvarkens en 468 zeugen per bedrijf (Landbouwtelling 2018). Voor wat betreft schaalgrootte is de Nederlandse varkenshouderij een middenmoter in Europa. In zeugproductiviteit loopt Nederland achter op Denemarken in de wereldtop.

Wisselende inkomens
De inkomens van varkensbedrijven staan regelmatig onder druk, zowel door gestegen voerprijzen als door hoge kosten voor mestafzet, beperking van ammoniakemissie, dierenwelzijn en dergelijke. Goede en slechte jaren wisselen elkaar af onder invloed van prijsschommelingen door veranderende vraag- en aanbodverhoudingen (varkenscyclus). Ook de uitbraken van ziekten hebben soms grote invloed op de inkomens. De Nederlandse varkensproductie maakt deel uit van een (Noordwest-)Europees cluster. De zelfvoorzieningsgraad van varkensvlees in de EU-28 was 113% in 2018. Voor Nederland is de zelfvoorzieningsgraad circa 300%, waardoor twee derde van de jaarlijkse vleesproductie moet worden uitgevoerd, binnen of buiten de EU.

Sterke concentratie in de slacht en verwerking
Circa 90% van de bijna 16 miljoen varkensslachtingen in Nederland vindt plaats bij de grootste vier slachtondernemingen. Vion Food Group slacht ongeveer de helft van de varkens in Nederland; de andere grote ondernemingen zijn Van Rooi Meat, Westfort en Compaxo.

De vleesindustrie in (Noordwest-)Europa is met elkaar verweven in afzetkanalen en ontwikkelingen. Er is daardoor stevige concurrentie met de grote spelers zoals Tönnies en Westfleisch in Duitsland, en Danish Crown in Denemarken. Slachterijen hebben vaak ook vestigingen in het buitenland. Nederlandse vleesvarkens worden zowel in Nederlandse slachterijen als in Duitse slachterijen geslacht. Daarnaast worden ook Belgische en Duitse vleesvarkens in Nederlandse slachterijen geslacht.

Veevoermarkt beheerst door drie grote spelers
De veevoerindustrie in Nederland is grootschalig en internationaal georiënteerd. Er zijn 90 mengvoerfabrieken die in totaal 13,8 miljoen mengvoer produceren, waarvan 5,1 miljoen ton mengvoer voor varkens. De grootste drie bedrijven zijn Agrifirm, ForFarmers en De Heus, met een marktaandeel van circa 60% van de mengvoerproductie. Nevedi is de koepel van de veevoederindustrie en vertegenwoordigt vrijwel de gehele diervoederindustrie. Veevoerbedrijven kopen grondstoffen over de hele wereld; qua herkomst ligt de nadruk echter op Europa. Inkoop gebeurt veelal via grootschalige handelsbedrijven. Veevoerbedrijven verkopen complete mengvoeders en premixen/concentraten in een groot aantal landen.

Daarnaast handelt een aantal bedrijven in vochtrijke bijproducten van de levensmiddelenindustrie, uit de verwerking van bijvoorbeeld aardappelen, bier, granen, citrusvruchten en plantaardige oliën. Deels komen deze producten in het mengvoer, deels ook als losse grondstoffen bij de veehouders. Vochtrijke bijproducten uit de levensmiddelenindustrie vervangen circa 10% (droge stofbasis) van het mengvoer. Voor de varkenshouderij zijn de belangrijkste bijproducten tarwezetmeel, aardappelstoomschillen, zuivelproducten en tarwegistconcentraten. De varkenssector draagt hierdoor bij aan de benutting van waardevolle restproducten, het sluiten van kringlopen en de circulaire economie.

Alle soja die de Nederlandse diervoederindustrie gebruikt, is sinds 2015 gegarandeerd van een duurzame teelt afkomstig. Daarnaast zorgen de leden van Nevedi ervoor dat alle palmolie, die gebruikt wordt voor de Nederlandse consumptie, duurzaam is volgens de regels van de Roundtable on Sustainable Palm Oil (Nevedi, 2020). Het sojagehalte in varkensvoer bedraagt circa 8% (exclusief hullen) (Hoste, 2014).

Hogere productie
In 2018 produceerde de Nederlandse varkenshouderijsector ruim 1,54 miljoen ton karkasgewicht met 15,9 miljoen slachtingen. De productie van varkensvlees was in 2018 circa 18% hoger dan in 2005 door 11% meer slachtingen en een 7% hoger slachtgewicht per dier.

De autonome productiviteitsontwikkeling van de zeugen leidt tot een hogere biggenproductie, die in toenemende mate over de grens wordt afgezet. Van de totale productie van bijna 25 miljoen dieren, worden 11 miljoen dieren geëxporteerd. Vanuit oogpunt van milieudruk, arbeidsprestatie en investeringsbehoefte zou een verdere ontwikkeling van de Nederlandse varkenssector naar een kraamkamer voor andere landen in Europa mogelijk zijn. Veel Midden- en Oost-Europese landen hebben voldoende milieugebruiksruimte (land, grondstoffenteelt voor veevoer), goedkopere huisvesting en lagere lonen. Een ruimtelijke spreiding met meer nadruk op biggenproductie in Noordwest-Europa en meer vleesvarkenshouderij in Midden- en Oost-Europa kan op langere termijn verwacht worden. De biggenproductie is ook meer kennis- en arbeidsintensief dan vleesvarkenshouderij. Nadelen van zo’n ruimtelijke heroriëntatie zijn de risico’s op grenssluitingen bij uitbraken van besmettelijke dierziekten, en de gevolgen voor het imago en het draagvlak voor de varkenssector bij een sterkere gerichtheid op de rol als kraamkamer.

Lagere consumptie per inwoner
In 2018 was 629 miljoen kg varkensvlees beschikbaar voor consumptie in Nederland. Dat is 3,6% meer dan in 2005 en die stijging is geheel te danken aan de groei van de bevolking met 5,4% tot 17,2 miljoen inwoners, want de consumptie per inwoner vertoont een licht dalende lijn. In Nederland is in 2018 per hoofd van de bevolking 36,6 kg varkensvlees per jaar geconsumeerd tegen 37,2 kg in 2005. Van de vleesconsumptie in Nederland is 47% varkensvlees (Dagevos et al., 2019).

Export toegenomen
Twee derde van de Nederlandse varkensproductie wordt geëxporteerd. De export bestaat in 2018 voor het grootste deel uit vlees (1,17 mln. ton), maar ook uit levende dieren. Het gaat daarbij om 7,8 miljoen biggen en 2 miljoen vleesvarkens. Omdat de productie sneller is gegroeid dan de binnenlandse consumptie, moet meer varkensvlees worden uitgevoerd. Vergeleken met 2005 is de uitvoer van varkensvlees met 30% toegenomen. De export van levende dieren is in 2018 bijna 80% hoger dan in 2005, maar die groei werd al in de periode 2005-2010 gerealiseerd. Daarna schommelde het aantal levend uitgevoerde dieren tussen 8 en 11 miljoen stuks per jaar.

De meeste export van levende dieren en vlees gaat naar landen binnen de EU. Duitsland is een belangrijke bestemming, met circa 65% van de biggenexport en bijna 100% van de vleesvarkensexport. Sinds 2016 is de export van varkensvlees en -producten vanuit de EU naar vooral China fors toegenomen onder invloed van een sterke vraag. Vanaf 2019 is de importbehoefte van China nog groter geworden omdat circa de helft van varkensstapel is geslacht door uitbraak van de Afrikaanse varkenspest. In 2019 werd China daardoor de belangrijkste exportmarkt. In 2018 was China nog het vijfde exportland voor Nederland. Naast deze grote export is er in mindere mate ook import van zowel vlees als levende dieren uit de buurlanden en dan vooral de aangrenzende regio’s in Duitsland en België.

Verduurzaming van de productie via kwaliteitssystemen, keurmerken en marktconcepten
Bijna alle varkenshouders nemen deel aan één van de twee kwaliteitssystemen in de varkenshouderij: IKB Varkens en IKB Nederland. Deze IKB-systemen werken samen in het Ketenbreed Kwaliteitssysteem (KKS Holland Varken) en het Ketenbreed Informatiesysteem (KIS Holland Varken) (POV, 2020). Deze kwaliteitssystemen geven garanties dat er minimaal voldaan wordt aan de wettelijke eisen rond productie en productveiligheid. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld op het gebied van diergezondheid ook bovenwettelijke eisen gesteld.

Het keurmerk Beter Leven, geïntroduceerd door de Dierenbescherming in 2007, geeft consumenten inzicht in het niveau van dierenwelzijn bij varkensbedrijven. Voor dit keurmerk zijn met bedrijven bovenwettelijke afspraken gemaakt over dierenwelzijn. Bij een product met één ster hebben dieren meer ruimte, worden ze in grote groepen gehouden en is castratie verboden. Bij een tweede ster gaat het grofweg om ‘scharrel met een uitloop naar buiten’ en bij de derde ster sluiten de houderij-omstandigheden nog beter aan op de behoeften van het dier; drie sterren komt overeen met de biologische sector (Dierenbescherming, 2020).

Om tegemoet te komen aan de groeiende wens van de consument wat betreft duurzaamheid en dierenwelzijn hebben de supermarkten (verenigd in het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel, CBL) afspraken gemaakt met Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO) en de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) om het gangbare vlees verder te verduurzamen. De verkoop van vers varkensvlees via supermarkten voldoet minimaal aan de eisen van het programma Varken van Morgen. De welzijnseisen voor de productie binnen dit programma zijn vergelijkbaar met de eisen met 1 ster van het Beter Leven-keurmerk.

Er worden naar schatting 4 miljoen tot 5 miljoen varkens per jaar met 1 ster en/of Varken van Morgen geproduceerd. Anno 2019 zijn er slechts een paar bedrijven met het predicaat Scharrel (2 sterren) en er worden naar schatting 130.000 biologische slachtvarkens per jaar (3 sterren) geproduceerd. Afgezet tegen de totale productie van 24,5 miljoen dieren zijn dat marktaandelen van 15-20% 1 ster (Varken van Morgen), 0% (2 sterren) en 0,5% (bio). De rest van de afzet is vlees dat geproduceerd is volgens de wettelijke minimumeisen.

Sanering en verduurzaming van de sector
Vanuit de overheid loopt het Programma Sanering en Verduurzaming Veehouderij, met als belangrijk onderdeel de Saneringsregeling varkenshouderij. Met dit programma wil men bijdragen aan een gezonde, toekomstgerichte varkenshouderijsector die maatschappelijk meer gewaardeerd wordt. De Saneringsregeling is een subsidieregeling voor varkenshouderijen in veedichte gebieden die geuroverlast veroorzaken en die willen stoppen met het bedrijf. Volgens schatting van het ministerie van LNV zullen met deze Regeling 7% tot 10% van de varkens in Nederland opgekocht worden. Ook biedt de Rijksoverheid subsidies voor investeringen in nieuwe technieken op het bedrijf die de uitstoot van schadelijke stoffen aanpakken bij de bron (Rijksoverheid, 2019).



















Kies een indicator
Deze informatie voor

Contactpersoon
Robert Hoste
0317-484654
 

Referenties

Toelichting varkensrechten: Er is één varkensrecht voor alle diercategorieën varkens uitgedrukt in varkenseenheden (één varkenseenheid = 7,4 kilogram fosfaatproductie per jaar). Daarbij geldt: 1 vleesvarken komt overeen met 1 varkenseenheid, 1 fokzeug zonder biggen staat gelijk aan 1,97 varkenseenheid en 1 fokzeug met biggen komt overeen met 2,74 varkenseenheid.

Bronnen:
• Hoste, R. (2014). Sojaverbruik in de Nederlandse diervoederindustrie 2011-2013; Inventarisatie in opdracht van Stichting Ketentransitie verantwoorde soja. Wageningen, LEI Wageningen UR (University & Research centre), LEI 14-098.
• Jukema, G.D., P. Ramaekers en P. Berkhout (red.) (2020). De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband. Wageningen/Heerlen/Den Haag, Wageningen Economic Research en Centraal Bureau voor de Statistiek, Rapport 2020-001
• Nevedi (2020). https://www.nevedi.nl
• Dagevos, H, D. Verhoog, P. van Horne en R. Hoste (2019). Vleesconsumptie per hoofd van de bevolking in Nederland, 2005-2019. Nota 2019-108
• Peet, G. van der, F. Leenstra, I. Vermeij, N. Bondt, L. Puister en J. van Os (2018). Feiten en cijfers over de Nederlandse veehouderijsectoren 2018. Wageningen Livestock Research Rapport 1134
• CBS (2020). https://opendata.cbs.nl/statline 
• OPNV (2020). https://opnv.nl/
• POV (2020). https://www.pov.nl/dossiers-en-thema-s/kks-holland-varken/ en http://www.hollandvarken.nl/
• Dierenbescherming (2020). https://beterleven.dierenbescherming.nl/beter-leven/10-jaar-beter-leven-keurmerk
• Rijksoverheid (2019). https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/veehouderij/documenten/ kamerstukken/2019/10/10/ kamerbrief-regeling-subsidieregeling-sanering-varkenshouderij






Meer informatie
Toelichting indicator
Onderwerp omschrijving
Beleidsinformatie
Archief


naar boven