Inkomen en bedrijfsomvang - Land- en tuinbouw
|
Schaalgrootte en verdienvermogen in de land- en tuinbouw
|
8-12-2025
|
Deze bijdrage gaat over de relatie tussen schaalgrootte en verdienvermogen voor de totale land- en tuinbouw. Hierbij zijn de bedrijven ingedeeld in 5 klassen gebaseerd op de Standaardverdiencapaciteit (SVC). De SVC is de vergoeding (in euro per bedrijf) voor de inzet van arbeid en kapitaal die een bedrijf op basis van standaarden gemiddeld in een jaar behaald met de agrarische productie, los van wie de arbeid of het kapitaal heeft geleverd. Zie voor meer informatie over de SVC op agrimatie.nl het artikel Bedrijfsomvang Standaardverdiencapaciteit.
In aanvullende bijdragen op agrimatie.nl wordt nader ingegaan op de akkerbouw, de melkveehouderij, de varkenshouderij en de glastuinbouw. Hierbij wordt voor melkvee en akkerbouw ook de relatie met enkele duurzaamheidsindicatoren gepresenteerd.
|
Voor de analyse is gebruikgemaakt van de gegevens van steekproefbedrijven uit het Bedrijveninformatienet en data uit de CBS-Landbouwtelling. De gerepresenteerde steekproefpopulatie bestond in 2024 uit ongeveer 41.600 bedrijven; de overige ongeveer 8.550 door de Landbouwtelling geregistreerde bedrijven zijn kleiner dan de ondergrens van 25.000 euro Standaardopbrengst die voor het Bedrijveninformatienet wordt gehanteerd. Die bedrijven zijn in deze analyse buiten beschouwing gelaten. Overigens is de gerepresenteerde steekproefpopulatie verantwoordelijk voor 99% van de Standaardomzet (SO). Omwille van de aansluiting op de data uit het Bedrijveninformatienet is voor de gepresenteerde gegevens uit de Landbouwtelling ook de ondergrens van 25.000 euro Standaardopbrengst gebruikt.
Structuur Het aantal land- en tuinbouwbedrijven daalt gestaag bij een toenemende schaalvergroting. In 2024 waren er circa 41.600 bedrijven met een omvang groter dan 25.000 euro Standaardomzet, 4% minder dan in 2020 en 20% minder dan in 2010 (figuur). De bedrijfsomvang loopt sterk op. De afgelopen 15 jaar zijn met name kleine en middelgrote bedrijven in aantal afgenomen en de grote en zeer grote bedrijven toegenomen. In 2024 viel 17% van de bedrijven in de categorie kleine bedrijven, 27% in de categorie grote bedrijven. In 2010 waren deze percentages nog respectievelijk 30% en 17%. In 2024 is de groep zeer grote bedrijven (13% van het totaal) verantwoordelijk voor 62% van de toegevoegde waarde (op basis van de Standaardverdiencapaciteit (SVC)) (zie figuur). Hiervan komt een belangrijk deel voor rekening van glastuinbouw, overige tuinbouwbedrijven en varkensbedrijven. In de melkveehouderij leveren de middelgrote en grote bedrijven het leeuwendeel van de toegevoegde waarde. De toegevoegde waarde van de zeer kleine bedrijven is voornamelijk afkomstig van akkerbouw- en overige graasdierbedrijven.
Verdienvermogen De groep zeer grote land- en tuinbouwbedrijven (>250.000 euro SVC) behaalt gemiddeld de beste economische resultaten (figuur en tabel). De samenstelling qua bedrijfstypen draagt in belangrijke mate bij aan de economische resultaten van deze groep. De glastuinbouw, sterk vertegenwoordigd in deze groep, kende economisch goede jaren.
Met de inzet van 100 euro aan kosten, inclusief de berekende kosten voor de inzet van eigen arbeid en kapitaal, wordt 115 euro aan opbrengsten behaald. Het gaat dan om alle opbrengsten uit het agrarisch bedrijf, dus inclusief subsidies, verbreding en werk voor derden. Inkomsten van buiten bedrijf (bijvoorbeeld uitkeringen en loon uit ander werk) zijn hier niet in meegenomen. Met 115 euro opbrengsten per 100 euro kosten is er een meer dan marktconforme beloning voor de inzet van eigen arbeid en kapitaal. Dit geldt ook voor de groep grote bedrijven (rentabiliteit van 107). Het schaalgrootte-effect komt ook terug in het lagere aandeel berekende kosten van arbeid en kapitaal (figuur) en een lager aandeel van afschrijvingen (materiële activa) (figuur) bij toenemende omvang.
De grootste bedrijven zijn intensiever (in de zin van productie per ha of dier) van aard. Zowel de opbrengsten, betaalde kosten en netto toegevoegde waarde per ha liggen op de grootse bedrijven op een veel hoger niveau dan in de andere klassen. De gemiddelde arbeidsinzet is 12,5 arbeidsjaareenheden, waarvan 2 onbetaald. De arbeidsproductiviteit is hoog (veel SVC per aje). De solvabiliteit (aandeel eigen vermogen in het totale vermogen) ligt in deze klasse het laagst (67%). Daarentegen liggen de langlopende schulden uitgedrukt per euro opbrengsten op het laagste niveau. De verdiencapaciteit op deze bedrijven is dusdanig dat er voldoende geld binnenkomt om aan renteverplichtingen te voldoen. Dat blijkt ook uit het relatief lage aandeel financieringskosten binnen de totale kosten (figuur).
De zeer kleine bedrijven (<25.000 euro SVC) worden gerund door circa één ondernemer met beperkte inzet van betaalde krachten. De arbeidsproductiviteit is laag (weinig SVC per aje). Naast de opbrengsten uit de verkoop van gewassen en dieren, komt het merendeel (70%) uit overige opbrengsten, zoals subsidies en verbredingsactiviteiten. Aan deze opbrengsten worden overigens geen SO’s en daarmee ook geen SVC’s toegekend. Aan de kostenkant is het aandeel kosten voor gebouwen en machines (materiële activa) en algemene kosten (overig) relatief hoog (figuur). De rentabiliteit blijft steken op 86%, wat inhoudt dat de arbeid van de ondernemer en de inzet van zijn vermogen niet marktconform worden beloond. Omdat de opbrengsten wel hoger zijn dan de betaalde kosten en afschrijvingen, resteert er een positief inkomen uit bedrijf van gemiddeld 42.000 euro per onbetaalde aje. Echter, bij 20% van de bedrijven gaat het inkomen uit bedrijf meer dan circa 9.700 euro in de min. De solvabiliteit van 91% is hoog maar daarentegen zijn de langlopende schulden per euro opbrengsten ook relatief hoog.
Resultaat totaal land- en tuinbouw naar grootteklasse, gemiddeld per bedrijf, 2021-2023 |
| Bedrijfsopzet (SVC x 1.000 euro) | | < 25 | 25-60 | 60-100 | 100-250 | > 250 | | Aantal bedrijven (aandeel per klasse in %) | 42.359 | 22 | 18 | 21 | 26 | 13 | | Areaal (ha) | 43 | 22 | 30 | 44 | 58 | 65 | | StandaardVerdiencapaciteit ((SVC), x 1.000 euro)a) | 158 | 12 | 43 | 79 | 149 | 723 | | Standaardopbrengst (x 1.000 euro) per ha | 14 | 3 | 7 | 9 | 12 | 35 | | Arbeidsinzet (aantal arbeidsjaareenheden (aje))b) | 3,3 | 1,4 | 1,6 | 1,9 | 2,8 | 12,5 | | w.v. onbetaalde aje | 1,5 | 1,1 | 1,2 | 1,6 | 1,8 | 2 | | Arbeidsinzet (volwaardige uren) | 7.140 | 2.850 | 3.500 | 4.390 | 6.310 | 25.960 | | SVC per aje (x 1.000 euro) | 47 | 9 | 26 | 41 | 52 | 58 | | Economisch resultaat (in 1.000 euro) | | | | | | | | Totale opbrengsten | 829 | 163 | 285 | 477 | 885 | 3.231 | | Totaal akkerbouwgewassen (%) | 9 | 14 | 17 | 11 | 11 | 6 | | Totaal bloembollen en knollen (%) | 4 | 0 | 0 | 1 | 1 | 7 | | Totaal groenten (%) | 8 | 1 | 2 | 2 | 3 | 13 | | Totaal snijbloemen (%) | 9 | 0 | 0 | 1 | 3 | 16 | | Totaal overig tuinbouw (%) | 14 | 4 | 13 | 5 | 8 | 21 | | Totaal rundveehouderij (%) | 24 | 8 | 30 | 54 | 41 | 8 | | Totaal intensieve veehouderij (%) | 16 | 3 | 12 | 10 | 22 | 16 | | Totaal overige opbrengsten (%) | 17 | 70 | 26 | 17 | 12 | 14 | | Totale betaalde kosten | 668 | 118 | 224 | 382 | 701 | 2.665 | | Netto toegevoegde waarde | 293 | 73 | 99 | 156 | 289 | 1.186 | | Inkomen uit bedrijf, per onbetaalde aje | 107 | 42 | 50 | 62 | 101 | 286 | | idem, P20 | 5 | -10 | 1 | 17 | 31 | 54 | | idem, P50 (mediaan) | 53 | 14 | 38 | 56 | 86 | 188 | | idem, P80 | 142 | 46 | 97 | 106 | 173 | 490 | | Inkomen in % van opbrengsten | 20 | 28 | 22 | 20 | 21 | 18 | | Solvabiliteit (%) | 77 | 91 | 87 | 80 | 76 | 67 | | Langlopende schulden per euro opbrengsten | 1,07 | 1,37 | 1,13 | 1,5 | 1,34 | 0,79 |
De bedrijven in de klassen kleine, middelgrote en grote bedrijven zitten wat betreft bedrijfsopzet en economische resultaten tussen de uitersten van de zeer kleine en zeer grote bedrijven. Achter de gemiddelden gaat een grote variatie aan bedrijfsvormen schuil (tabel). De inkomensspreiding binnen grootteklassen is groot en stijgt bij een toenemende bedrijfsomvang (tabel).
|
| Referenties |
Zeer Kleine bedrijven: <25.000 euro SVC; kleine bedrijven: 25.000-60.000 euro SVC; middelgrote bedrijven 60.000-100.000 euro SVC; grote bedrijven 100.000-250.000 euro SVC; zeer grote bedrijven >250.000 euro SVC.
Voor de hele populatie land- en tuinbouwbedrijven in de Landbouwtelling is op agrimatie.nl meer informatie beschikbaar over grootteklassen in relatie tot aantal bedrijven, productie-eenheden, provincie en leeftijd van het bedrijfshoofd.
Deze tekst is afkomstig uit de publicatie Staat van Landbouw, Visserij, Voedsel en Natuur 2025. (Jellema et al., 2025); Rapport 2025-123.
|