Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Sectors > Land- en tuinbouw
     
Land- en tuinbouw
Select a theme
Algemeen

Economie

Maatschappij

Milieu

 
 
 
  
  
   
   
Select an indicator
Contactpersoon
Martien Voskuilen
070 3358328
 

Deze informatie voor andere sectoren
  • Land- en tuinbouw

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >

Opvolgingssituatie - Land- en tuinbouw

Meer belangstelling voor opvolging
12/18/2017

In de afgelopen vier jaar is de belangstelling voor bedrijfsopvolging toegenomen. Het opvolgingscijfer (aandeel van bedrijfshoofden van 51 jaar of ouder met een opvolger) is gestegen van 34% in 2012 tot 39% in 2016.

De vraag over opvolging wordt alleen gesteld aan bedrijven met als rechtsvorm een natuurlijk persoon (zoals eenmanszaken en maatschappen). Dat zijn er 51.600 (in 2016). Daarvan heeft 64% een bedrijfshoofd van 51 jaar of ouder (tegen 61% in 2012; zie toelichting en figuur opvolgingssituatie), en van deze groep heeft 39% een opvolger. In 2012 lag het opvolgingscijfer op 34% en in 2008 op 28%.


In de Landbouwtelling wordt eens in de vier jaar gevraagd of er een bedrijfsopvolger aanwezig is. Deze vraag wordt gesteld aan bedrijfshoofden van 50 jaar of ouder met een bedrijf zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een eenmanszaak, maatschap, commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma. In 2012 is deze vraag niet altijd ingevuld door de vijftigjarigen. Daarom zijn in verband met de vergelijkbaarheid in de tijd de opvolgingscijfers gebaseerd op bedrijven met een bedrijfshoofd van 51 jaar of ouder.

Bij een bedrijfsvoering die uit meerdere personen bestaat, wordt gevraagd naar de leeftijd van het bedrijfshoofd met de grootste zakelijke en bedrijfsmatige verantwoordelijkheid in het bedrijf. Als de bedrijfshoofden evenveel verantwoordelijkheid hebben, dan wordt gevraagd naar de leeftijd van de oudste ondernemer.


Meer opvolgers bij toenemende bedrijfsomvang
De animo om een bedrijf over te nemen wordt in belangrijke mate bepaald door de bedrijfsomvang. Bij een toenemende omvang gemeten in standaardverdiencapaciteit (SVC, zie toelichting) stijgt het opvolgingspercentage sterk: 23% op de zeer kleine bedrijven, 32% op de kleine, 46% op de middelgrote, 64% op de grote en 67% op de zeer grote bedrijven (zie figuur hieronder). Bedrijven hebben een zekere omvang nodig om winstgevend te kunnen zijn dat is ook de basis voor een (mogelijke) toekomstige overname. De mogelijkheden om een bedrijf over te nemen hangen voorts af van de ondernemerskwaliteiten, toekomstperspectieven van de sector (markt/vraag) en de omgeving waarin het bedrijf opereert (in verband met ontwikkelings- en/of uitbreidingsmogelijkheden).




Meeste opvolgers op melkveebedrijven
Het bedrijfstype (de sector waarin de bedrijven in hoofdzaak actief zijn) speelt ook een rol in de belangstelling voor een mogelijke bedrijfsovername. Het opvolgingscijfer loopt uiteen van 22% op glastuinbouwbedrijven, 37% op akkerbouwbedrijven, tot 55% op melkveebedrijven. De melkveehouderij is van oudsher al de sector met het hoogste opvolgingspercentage. Ten opzichte van de vorige meting in 2012 is dit licht gedaald (2 procentpunten). De animo voor opvolging wordt mede ingegeven door de economische resultaten, bedrijfsontwikkeling en economische vooruitzichten. In de melkveehouderij is de afschaffing van het melkquotum in 2015 gepaard gegaan met een sterke toename van de gemiddelde bedrijfsomvang, maar economisch gezien waren 2015 en 2016 minder goede jaren.

Continuïteitspercentage stabiel
Een andere indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het aantal bedrijven is het ‘continuïteitspercentage’. Dit getal geeft een indruk van het deel van de bedrijven dat op de middellange termijn (tien à vijftien jaar) naar verwachting zal worden voortgezet. Zowel in 2012 als in 2016 ligt het continuïteitspercentage in de land- en tuinbouw op 64%. Dat wil zeggen dat op de middellange termijn naar verwachting 36% van de bedrijven zal worden beëindigd. Uitgaande van een periode van vijftien jaar en een percentage stoppers van 36%, komt het neer op een jaarlijkse afname met circa 2,4%. Dat ligt in lijn met het langjarige gemiddelde (in de afgelopen vijftien jaar) van 2 à 3% per jaar. De ontwikkeling van het aantal bedrijven is en wordt nog steeds vooral bepaald door het stoppen bij generatiewisseling. 

Tot de bedrijven die naar verwachting op middellange (tien à vijftien jaar) termijn worden voortgezet, worden gerekend bedrijven met een bedrijfshoofd jonger dan 51 jaar, bedrijven met een bedrijfshoofd van 51 jaar of ouder met een opvolger, en bedrijven met rechtspersoonlijkheid. De aanwezigheid van een opvolger wordt op deze laatste categorie bedrijven niet gevraagd. Maar aangezien het meestal vrij grote bedrijven zijn en het aantal door de jaren heen vrij stabiel is (rond de 4.000), lijkt de aanname dat deze bedrijven worden gecontinueerd een redelijke.

Voor de overige bedrijven - bedrijven met een oudere ondernemer zonder opvolger - is de veronderstelling dat die binnen een tijdsbestek van tien à vijftien jaar zullen stoppen. Uiteraard geldt daarbij dat de situatie in de toekomst nog kan veranderen: niet alle bedrijven met een opvolger zullen daadwerkelijk worden opgevolgd en van de groep zonder opvolger kan later toch blijken dat er wel opvolging plaatsvindt.


Tussen de verschillende bedrijfstypen loopt het continuïteitspercentage uiteen van 55% voor de vleesvarkensbedrijven tot 78% voor de pot- en perkplantenbedrijven. Voor de vleesvarkensbedrijven waren de gemiddelde bedrijfsresultaten de laatste jaren beneden het meerjarige gemiddelde, terwijl de economische resultaten op de glastuinbouwbedrijven vanaf 2014 een fors herstel laten zien. 



Bedrijfsovername melkveebedrijven
Bedrijfsovername in de land- en tuinbouw vindt meestal geleidelijk plaats binnen familieverband, waarbij dit proces start met de toetreding van de opvolger tot de bedrijfsleiding (veelal in de vorm van een maatschap) en eindigt bij de uittreding van de oudere generatie. Op basis van gegevens uit het Bedrijveninformatienet is voor melkveebedrijven een analyse gemaakt van bedrijven die in de jaren tussen 2011 en 2015 zijn overgenomen. De analyse beperkt zich tot deze sector omdat alleen in de melkveehouderij het aantal waarnemingen van overgenomen bedrijven groot genoeg is. In de genoemde periode gaat het om circa 10% van de melkveebedrijven. In de tabel is een aantal kenmerken van de overgenomen en niet-overgenomen melkveebedrijven samengebracht voor de jaren 2011 en 2015.

Huidige positie (in 2015): overgenomen bedrijven groter en minder intensief
De overgenomen bedrijven zijn groter (in melkkoeien en oppervlakte), extensiever en halen een hogere melkproductie per koe dan de bedrijven die niet zijn overgenomen. Mede door het grotere aandeel grond in eigendom ligt de balanswaarde van de overgenomen bedrijven op een hoger niveau. Verder ligt de kostprijs per 100 kg melk op de overgenomen bedrijven circa 3 euro lager dan op de (nog) niet overgenomen bedrijven.


Ontwikkeling (2011-2015): overgenomen bedrijven minder gegroeid
Op de bedrijven die zijn opgevolgd is de leeftijd van het oudste bedrijfshoofd fors gedaald en neemt het aantal ondernemers af. Per ondernemer neemt de arbeidsinzet flink toe. De groei in aantal melkkoeien en oppervlakte cultuurgrond is geringer. Als gevolg van de overname is het eigen vermogen gedaald. Met het uittreden van het vorige bedrijfshoofd wordt er vermogen uit de onderneming onttrokken. Ter bekostiging van de overname is de langlopende schuld met gemiddeld 250.000 euro gestegen. De toename van de schuld per kg melk is ook gestegen maar minder door de hogere melkproductie.

Kenmerken gangbare melkveebedrijven die wel en niet opgevolgd tussen 2011 en 2015
Opgevolgd (2011)Opgevolgd (2015)Mutatie (%)Niet opgevolgd (2011)Niet opgevolgd (2015)Mutatie (%)
Kenmerk
Aantal steekproefbedrijven2323214214
Leeftijd oudste ondernemer6740-4051558
Arbeidsjaareenheden1.91.7-101.71.88
waarvan onbetaald1.81.5-181.51.52
Volwaardige uren4,4873,991-113,9694,1805
Aantal ondernemers2.41.3-451.61.89
Uren per ondernemer1,7622,244271,9901,899-5
Aantal SO (x 1.000)3244002326635333
Totale oppervlakte6769452557
w.v. eigendom (%)6569661623
Aantal koeien961037819415
Kg melk (x 1.000 kg)8018911166277016
Idem per koe8,3148,62348,1268,1901
Aantal koeien per hectare1.51.651.71.99
Eindbalans
Totaal vermogen (1.000 euro)3,5723,61712,9002,9763
Eigen vermogen (1.000 euro)2,2902,233-21,8941,9915
Langlopende schulden (1.000 euro)1,0691,3182381992213
Solvabiliteit (%)6262-163675
Schuld per 100 kg melk13314811124120-3
Kostprijs/100 kg melk
Kostprijs/100 kg melk41.838.9-744.642.2-5
Moderniteit
Gebouwen383924240-4
Machines en werktuigen3330-73530-15
Bron: Bedrijveninformatienet, Wageningen Economic Research


Dit voorbeeld van de melkveehouderij laat zien welke veranderingen in de bedrijfsstructuur (veestapel, grond en arbeid) en financiering optreden in de verschillende fases van de levenscyclus van een bedrijf. Zo is na een overname minder arbeid beschikbaar en is het bedrijf zwaarder gefinancierd. Door de waarde van de grond blijft echter de solvabiliteit op peil. De hogere schuld per kg melk maakt het bedrijf kwetsbaarder voor tegenvallers is in vergelijking met het (nog) niet opgevolgde bedrijf. Ook op een aantal andere punten heeft het (nog) niet opgevolgde bedrijf zich gunstiger ontwikkeld. Een belangrijk houvast voor het opgevolgde bedrijf is de lagere kostprijs.




Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief


Top of page