Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Sectors > Land- en tuinbouw
     
Land- en tuinbouw
Select a theme
Algemeen

Economie

Maatschappij

Milieu

 
 
  
  
   
Select an indicator
Contactpersoon
Harold van der Meulen
0317-484436
 

Deze informatie voor andere sectoren
  • Akkerbouw
  • Glastuinbouw
  • Land- en tuinbouw
  • Melkveehouderij
  • Varkenshouderij

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >

Inkomen en bedrijfsomvang - Land- en tuinbouw

Schaalgrootte en inkomen land- en tuinbouw
11/1/2018

In 2017 waren er 54.840 land- en tuinbouwbedrijven in Nederland. De bedrijfsomvang loopt sterk uiteen: 34% van de bedrijven valt in de categorie zeer kleine bedrijven, 9% behoort tot de zeer grote bedrijven. De groep grootste bedrijven was verantwoordelijk voor 50% van de toegevoegde waarde (op basis van de Standaardverdiencapaciteit). Grotere land- en tuinbouwbedrijven produceren efficiënter (meer omzet per eenheid input) en behalen daardoor gemiddeld betere economische resultaten.

In de meeste land- en tuinbouwsectoren moeten de bedrijven een omvang hebben ruim boven de gemiddelde bedrijfsgrootte om enigszins aanspraak te kunnen maken op een marktconforme beloning voor de inzet van eigen arbeid en kapitaal. In absolute zin gaat het dan om een beperkte groep bedrijven. Dit betekent ook dat het merendeel van de huidige bedrijven in de land- en tuinbouw te klein is om uit landbouwactiviteiten een marktconforme beloning van arbeid en kapitaal te halen. Deze bedrijven hebben aanvullende inkomsten nodig uit niet-landbouwactiviteiten of nemen genoegen met een lagere beloning voor de inzet van hun eigen arbeid en kapitaal.

Ten slotte, de inkomensspreiding binnen grootteklassen is groot en stijgt bij een toenemende bedrijfsomvang. Een groot of groter bedrijf behaalt daarom niet per definitie ‘betere resultaten’. Ook bij de groep grootste bedrijven zijn er ondernemingen die verlies draaien.

Deze bijdrage gaat over de relatie tussen schaalgrootte en inkomen voor de totale land- en tuinbouw. In aanvullende bijdragen wordt nader ingegaan op de akkerbouw, de melkveehouderij, de varkenshouderij en de glastuinbouw.


Structuur
In 2017 waren er 54.840 land- en tuinbouwbedrijven in Nederland (Landbouwtelling CBS). Dit is een daling ten opzichte van 2010 met 24%. In 2016 is de daling van het aantal bedrijven (eenmalig) versneld door de verandering in de registratie van de land- en tuinbouwbedrijven, waardoor veel (zeer) kleine bedrijven uit de registratie zijn verdwenen. De bedrijfsomvang loopt sterk uiteen, in 2017 viel 34% van de bedrijven in de categorie zeer kleine bedrijven, 9% in de categorie zeer grote bedrijven. In 2010 waren deze percentages nog respectievelijk 46% en 5%. De groep grootste bedrijven realiseerde 50% van de toegevoegde waarde (op basis van de Standaardverdiencapaciteit (SVC)). Hiervan komt een belangrijk deel voor rekening van glastuinbouw en overige tuinbouwbedrijven. In de melkveehouderij leveren de middelgrote en grote bedrijven het leeuwendeel van de toegevoegde waarde. De toegevoegde waarde van de zeer kleine bedrijven is voornamelijk afkomstig van akkerbouw en overige graasdierbedrijven. Zie ook artikel Bedrijfsomvang Standaardverdiencapaciteit.





Bedrijfsresultaat
Deze analyse is gebaseerd op in totaal 47.660 bedrijven die worden gerepresenteerd door het Bedrijveninformatienet en het gemiddelde van de periode 2014-2016. In het Bedrijveninformatienet zijn de kleinste bedrijven met een Standaardomzet van minder dan 25.000 euro niet opgenomen.


De groep grootste land- en tuinbouwbedrijven (klasse 5, >250.000 euro SVC) behaalt gemiddeld de beste economische resultaten. De samenstelling qua bedrijfstypen draagt in belangrijke mate bij aan de economische resultaten van deze groep. De glastuinbouw, sterk vertegenwoordigd in deze groep, kende economisch goede jaren. Zie voor meer gegevens per bedrijfstype de afzonderlijke artikelen binnen dit katern op agrimatie.

Met de inzet van 100 euro aan kosten, inclusief de berekende kosten voor de inzet van eigen arbeid en kapitaal, wordt 110 euro aan opbrengsten behaald. Het gaat dan om alle opbrengsten uit het agrarisch bedrijf, dus inclusief subsidies, verbreding en werk voor derden. Inkomsten van buiten bedrijf (bijvoorbeeld uitkeringen en loon uit ander werk) zijn hier niet in meegenomen. Met 110 euro opbrengsten per 100 euro kosten is er een meer dan marktconforme beloning voor de inzet van eigen arbeid en kapitaal.

De grootste bedrijven zijn intensiever (in de zin van productie per ha of dier) van aard. De processen van schaalvergroting, intensivering en specialisatie zijn niet los van elkaar te zien, maar versterken elkaar over en weer (Meulen et al., 2009:28). Zowel de opbrengsten als kosten per ha liggen op de grootse bedrijven op een veel hoger niveau dan in de andere klassen. De gemiddelde arbeidsinzet is 12 arbeidsjaareenheden, waarvan 2 onbetaald. De solvabiliteit (aandeel eigen vermogen in het totale vermogen) ligt in deze klasse het laagst. Daarentegen liggen de langlopende schulden uitgedrukt per euro opbrengsten op het laagste niveau. De verdiencapaciteit op deze bedrijven is dusdanig dat er voldoende geld binnenkomt om aan renteverplichtingen te voldoen. Dat blijkt ook uit het relatief lage aandeel financieringskosten binnen de totale kosten.

De bedrijven uit klasse 1 (<25.000 euro SVC) worden gerund door één ondernemer zonder betaalde krachten. De arbeidsproductiviteit is laag (weinig SVC per aje). Naast de opbrengsten uit de verkoop van gewassen en dieren, komt de helft uit overige opbrengsten, zoals subsidies en werk voor derden. Aan de kostenkant is het aandeel algemene kosten en kosten voor gebouwen en machines relatief hoog. De rentabiliteit blijft steken op 65%, wat inhoudt dat de arbeid van de ondernemer en de inzet van zijn vermogen bij lange na niet marktconform worden beloond. Omdat de opbrengsten wel hoger zijn dan de betaalde kosten resteert er een licht positief inkomen. Echter, bij 20% van de bedrijven gaat het inkomen meer dan 20.000 euro in de min. De solvabiliteit van 82% is hoog maar daarentegen zijn de langlopende schulden per euro opbrengsten ook relatief hoog.

De bedrijven in de klassen 2, 3 en 4 zitten wat betreft bedrijfsopzet en economische opbrengsten tussen de uitersten van klasse 1 en 5. Achter de gemiddelden gaat een grote variatie aan bedrijfsvormen schuil.

Beschouwing
In algemene zin geldt dat grotere bedrijven efficiënter produceren (meer omzet per eenheid input) en daardoor een hoger inkomen halen. Ook zijn grotere bedrijven vaak moderner en is er meer geïnvesteerd in milieumaatregelen en/of extra dierenwelzijnsmaatregelen. Daar staat tegenover dat grotere bedrijven vaak ook intensiever produceren (meer output per ha of dier). De relatie tussen schaalgrootte en duurzaamheid is in het kader van dit katern niet verder onderzocht.

In de meeste land- en tuinbouwsectoren moeten de bedrijven een omvang hebben die ruim boven de gemiddelde bedrijfsgrootte ligt, om enigszins aanspraak te kunnen maken op een marktconforme beloning voor de inzet van eigen arbeid en kapitaal. In absolute zin gaat het dan om een beperkte groep bedrijven. Dit betekent ook dat het merendeel van de huidige bedrijven in de land- en tuinbouw te klein is om uit landbouwactiviteiten een marktconforme beloning van arbeid en kapitaal te halen. Deze bedrijven hebben aanvullende inkomsten nodig uit niet-landbouwactiviteiten of nemen genoegen met een lagere beloning voor de inzet van hun eigen arbeid en kapitaal.

Een groot of groter bedrijf is echter niet per definitie ‘beter’, zoals blijkt uit de spreiding in inkomen in een sector binnen grootteklassen. Ook bij de groep grootste bedrijven zijn er ondernemingen die verlies draaien. Hoe een bedrijf economisch presteert - in termen van inkomen - is sterk afhankelijk van ondernemerschapsvaardigheden. Vanuit dit perspectief moet een ondernemer bepalen of schaalvergroting een strategie is die past. De bedrijfsomvang en -inrichting moet passen bij de competenties en span of control van de ondernemer en zijn visie op de markt en omgeving. ‘Groot worden’ is niet altijd zinvol en moet zeker geen doel op zich zijn. Of, in de woorden van een (oudere) akkerbouwer: ‘We zijn ieder jaar gemiddeld met een paar ha gegroeid en dat was achteraf een goede strategie. We zijn mooi meegegroeid met de capaciteitsgroei van onze machines’.

Grotere bedrijven kunnen financieel kwetsbaarder zijn omdat een flink deel van de kosten uit betaalde kosten bestaat. Dit geldt met name voor de inzet van betaalde arbeid en hogere financieringskosten. Door het hogere aandeel betaalde kosten is het bedrijf dan kwetsbaarder voor tegenvallende opbrengstprijzen dan kleinere bedrijven. Risico’s zijn bij prijsfluctuaties groter en met dit aspect moet een ondernemer om kunnen gaan.

Resultaat totaal land- en tuinbouw naar grootteklasse, gemiddeld per bedrijf, 2014-2016
Alle bedrijvenKlasse 1Klasse 2Klasse 3Klasse 4Klasse 5
Bedrijfsopzet (SVC x 1.000 euro)< 2525-6060-100100-250> 250
Aantal bedrijven (aandeel per klasse in %)47,6602023202710
Areaal (ha)381926395362
StandaardVerdiencapaciteit ((SVC), x 1.000 euro)130124379149608
Standaardopbrengst (x 1.000 euro) per ha13.13.87.58.411.334.3
Arbeidsinzet (aantal arbeidsjaareenheden)2.91.11.41.72.812.2
w.v. onbetaalde aje1.411.21.51.72
SVC per aje (x 1.000 euro) a)4510.929.645.352.950
Economisch resultaat (in euro)
Totale opbrengsten533,40092,000203,400334,100621,5002,312,200
Totaal akkerbouwgewassen (%)814151085
Totaal bloembollen en knollen (%)400127
Totaal groenten (%)11132421
Totaal snijbloemen (%)9012418
Totaal overig tuinbouw (%)11374716
Totaal rundveehouderij (%)25193147397
Totaal intensieve veehouderij (%)171418172313
Totaal overige opbrengsten (%)154925161212
Opbrengsten per ha13,9504,7607,7008,63011,82037,480
Totale betaalde kosten467,80090,200175,900293,200555,6001,985,200
Kosten per ha12,2304,6606,6507,57010,57032,080
Inkomen uit bedrijf, per onbetaalde aje47,0002,70024,20030,00039,300165,400
idem, P20-8,400-22,200-4,500-3,100-5,1009,600
idem, P8069,20021,10047,00059,00081,700260,200
Inkomen in % van opbrengsten13314131114
Solvabiliteit (%)718278696453
Langlopende schulden per euro opbrengsten1.52.11.51.81.91
Bron: Bedrijveninformatienet.
a) SVC = Standaardverdiencapaciteit. De SVC is de vergoeding (in euro per bedrijf) voor de inzet van arbeid en kapitaal die een bedrijf op basis van standaarden gemiddeld in een jaar behaalt met de agrarische productie, los van wie de arbeid of het kapitaal heeft geleverd.



 




Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief


Top of page