Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Sectors > Land- en tuinbouw
     
Land- en tuinbouw
Select a theme
Algemeen

Economie

Maatschappij

Milieu

 
 
  
  
   
Select an indicator
Contactpersoon
Harold van der Meulen
0317-484436
 

Deze informatie voor andere sectoren
  • Akkerbouw
  • Bloembollenteelt
  • Boomkwekerij
  • Fruitteelt
  • Geitenhouderij
  • Glasgroententeelt
  • Glastuinbouw
  • Land- en tuinbouw
  • Leghennenhouderij
  • Melkveehouderij
  • Vollegrondsgroenteteelt
  • Opengrondstuinbouw
  • Pot- en perkplantenteelt
  • Snijbloementeelt
  • Varkenshouderij
  • Vleeskalverhouderij
  • Vleeskuikenshouderij
  • Zetmeelbedrijven

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >

Inkomen uit bedrijf - Land- en tuinbouw

Inkomen land- en tuinbouw gedaald, wel grote verschillen tussen bedrijfstypen
12/17/2020

In een jaar dat in het teken staat van corona is het gemiddelde inkomen uit bedrijf voor de land- en tuinbouw geraamd op 54.000 euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje). Dat is een daling van bijna 20.000 euro ten opzichte van het goede landbouwjaar 2019, ondanks coronasteunmaatregelen van de overheid. Het inkomen is ook lager dan het meerjarig gemiddelde van 59.000 euro over de periode 2015-2019. De gemiddelde opbrengsten per bedrijf voor de totale land- en tuinbouw nemen met 2% af, voornamelijk door vraaguitval als gevolg van de coronapandemie. De betaalde kosten en afschrijvingen stijgen in 2020 met gemiddeld 3%, vooral door groei van de bedrijfsomvang.

Tussen, en ook binnen, de bedrijfstypen in de land- en tuinbouw zijn de inkomensverschillen ieder jaar groot. Varkenshouders zien hun inkomen, na een historisch hoog niveau in 2019, in 2020 in het rood belanden. Dit komt zowel door hogere kosten door toename van de bedrijfsomvang als door lagere prijzen van biggen en vleesvarkens door de wereldwijde coronapandemie en de uitbraak van Afrikaanse varkenspest in Duitsland. Akkerbouwers kampen met lagere prijzen van aardappelen, waardoor hun inkomens teruglopen. Ook melkveehouders zien hun inkomen dalen door een lagere melkprijs en hogere voerkosten. Vleeskuikenhouders zien door de tijdelijke sluitingen van foodservicebedrijven in binnen- en buitenland hun omzet afnemen en daardoor het inkomen in 2020 flink dalen. In de glastuinbouw dalen zowel in de glasgroente- als snijbloementeelt de inkomens. In de glasgroentesector stijgen de kosten harder dan de opbrengsten. Voor de snijbloementeelt is de omzet van snijbloemen nog altijd minder na afkondiging van lockdownmaatregelen dit voorjaar in diverse landen. Het inkomen op pot- en perkplantenbedrijven wordt hoger geraamd dan in 2019. Weliswaar dalen de opbrengsten door vraaguitval vanwege corona maar de kosten zijn nog sterker gedaald, met name voor uitgangsmateriaal en inkoop van energie. Ook boomkwekers, fruittelers, vollegrondsgroentetelers en melkgeitenhouders zien naar verwachting hun inkomen stijgen in 2020 door betere prijsvorming van de producten.


Inkomen melkveehouders gedaald door lagere melkprijs en hogere voerkosten
Het gemiddelde inkomen uit bedrijf van melkveehouders in 2020 is geraamd op 43.000 euro per onbetaalde aje. Dit is 6.000 euro minder dan in 2019, maar 5.000 euro hoger dan het gemiddelde over de periode 2015-2019. Dit laatste komt door groei in bedrijfsomvang en omdat de melkprijs in 2020 iets boven het gemiddelde van 2015-2019 ligt. De totale opbrengsten dalen beperkt omdat de lagere melkprijs (-4%) en veeprijzen grotendeels worden gecompenseerd door een hogere melkproductie per bedrijf. De kosten nemen met circa 6.000 euro toe, ondanks lagere energieprijzen en lagere rentekosten, door hogere voerkosten en een toename bij diverse andere kleine kostenposten.

Het gemiddelde inkomen van het gespecialiseerde biologische melkveebedrijf wordt voor 2020 geraamd op 34.000 euro per onbetaalde aje. Dit is een daling van ongeveer 7.000 euro. De daling wordt veroorzaakt door hogere voerkosten en lagere vee-omzet. De lagere melkprijs (-1,5%) wordt gecompenseerd door een hogere melkproductie per bedrijf. Het inkomen in 2020 is bijna 11.000 euro lager dan het gemiddelde over 2015-2019.

Forse daling inkomens varkenshouders 
Voor de varkenshouderij zijn 2019 en 2020 jaren van extremen geweest. Na een historisch hoog inkomen in 2019, dankzij afgenomen productie in China als gevolg van Afrikaanse varkenspest, verandert na de uitbraak van het coronavirus het marktbeeld drastisch. Vanaf maart is de biggenprijs sterk gedaald, namelijk van 89 euro naar circa 25 euro (circa -72%) en de vleesvarkensprijs van 1,86 euro naar 1,32 euro per kg (circa -30%). De prijsdaling is het gevolg van de combinatie van de wereldwijde coronapandemie met vraaguitval bij vooral de foodservice en de uitbraak van Afrikaanse varkenspest in Duitsland, waardoor de export vanuit Duitsland naar China is stilgelegd en het varkensvlees op de EU-markt afgezet moet worden. Gemiddeld voor 2020 is de prijsdaling van biggen -12% en vleesvarkens -8% ten opzichte van 2019. Ook de negatieve aanwas zorgt voor een afname van de opbrengsten doordat de dieren op de eindbalans veel minder waard zijn dan op de beginbalans. Een van de gebruikelijke bedrijfseconomische uitgangspunten van het Bedrijveninformatienet is om de waardemutatie (aanwas) van de balansmomenten van handelsvee, zoals vleesvarkens en biggen in het resultaat op te nemen volgens de International Financial Reporting Standards (IFRS). Die waardemutatie droeg in 2019 op het gemiddelde varkensbedrijf 109.000 euro bij aan een stijging van het inkomen per onbetaalde aje. In 2020 droeg de waardemutatie voor 123.000 euro bij aan de daling van het inkomen.

Naast voorgaande nemen ook de kosten toe door meer dieren per bedrijf en gestegen grondstofprijzen. Het gemiddelde inkomen uit bedrijf zal hierdoor in 2020 met bijna 300.000 euro dalen naar 12.000 euro negatief per onbetaalde aje.

In 2020 neemt het inkomen op alle groepen varkensbedrijven fors af, het minst bij de zeugenbedrijven. Deze behalen een positief inkomen van 46.000 euro per onbetaalde aje, evenwel een flinke daling ten opzichte van 2019 door lagere biggenprijzen. De opbrengsten van vleesvarkensbedrijven dalen ook sterk. De prijzen van vleesvarkens nemen procentueel wel minder af dan van de aangekochte biggen. Het inkomen is vooral gedaald door de negatieve aanwas. Het inkomen daalt met 270.000 euro naar 46.000 euro negatief per onbetaalde aje in 2020. De inkomensdaling op de gesloten varkensbedrijven is het grootst, een daling van 403.000 euro vergeleken met voorgaand jaar. Deze groep bedrijven wordt geconfronteerd met een negatief inkomen van gemiddeld 33.000 euro per onbetaalde aje. Naast de prijsdaling van verkochte vleesvarkens heeft deze groep bedrijven met name te kampen met de negatieve aanwas.

Inkomen pluimveehouders gedaald 
In 2020 halveert het inkomen van het gemiddelde vleeskuikenbedrijf naar verwachting tot gemiddeld 44.000 euro per onbetaalde aje; dit is het laagste niveau sinds 2013. De opbrengsten dalen sterk door gemiddeld 4% lagere prijzen voor vleeskuikens als gevolg van de coronacrisis. Vooral de afzet van reguliere kuikens (een kleine 70% van de productie) wordt flink geraakt door de tijdelijke sluitingen van foodservicebedrijven in binnen- en buitenland. De prijzen van langzaam groeiende kuikens (Beter Leven keurmerk en concepten) met afzet in de supermarkten zijn op peil gebleven. De betaalde kosten per bedrijf dalen vooral door gemiddeld minder vleeskuikens op het bedrijf, omdat door lage prijzen er minder kuikens zijn opgezet, en door lagere voerprijzen. Dit is onvoldoende om de lagere opbrengsten te compenseren.

In 2020 wordt het gemiddelde inkomen voor leghennenhouders 6% lager geraamd op 93.000 euro per onbetaalde aje. Dat is het gevolg van een kleinere bedrijfsomvang door omschakeling naar meer duurzame houderijsystemen bij per saldo gelijke eierprijzen vergeleken met voorgaand jaar. Het huidige geraamde inkomen is vergelijkbaar met het meerjarig gemiddelde 2015-2019. Vanwege de coronapandemie was in de supermarkten de vraag naar eieren in het luxere segment groot (biologische eieren, vrije uitloopeieren en het Beter Leven keurmerk), maar de afzet van gewone scharreleieren naar de horeca en foodservice kreeg forse klappen door de tijdelijke sluitingen. De betaalde kosten zijn iets gedaald door de kleinere bedrijfsomvang.

De uitbraak van vogelgriep in november bij enkele pluimveebedrijven zorgt voor veel onrust. In oktober was al een ophokplicht ingesteld vanwege de vondst van vogelgriep bij wilde vogels. De export van eieren, eiproducten en kuikenvlees naar EU-landen gaat gewoon door, maar de export naar derde landen heeft daar wel last van. Als de ophokplicht lang in stand blijft, dan heeft dat grote gevolgen voor vrije uitloopeieren, die mogelijk moeten worden verkocht als reguliere scharreleieren tegen lagere prijzen.

Inkomen melkgeitenhouders gestegen en van houders van blankvleeskalveren op contract gedaald
Het inkomen uit bedrijf op melkgeitenbedrijven zal in 2020 naar verwachting uitkomen op gemiddeld 134.000 euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje), circa 29.000 euro hoger dan in 2019. Dit ligt 30.000 euro boven het gemiddelde van de voorgaande 5 jaren (2015-2019). Dit is het resultaat van een 6% hogere melkprijs die ruimschoots voldoende is om de hogere voerkosten en toename van diverse vaste en algemene kosten te compenseren. Het inkomen uit bedrijf op bedrijven met blankvleeskalveren op contract daalt naar verwachting in 2020 met 5.000 euro (circa 10%) naar 41.000 euro per onbetaalde aje. De ontvangen contractvergoeding per gemiddeld aanwezig vleeskalf neemt in 2020 5% af door de langere leegstand van circa 4 weken. Dit is zowel het gevolg van de coronacrisis (vraaguitval) als de iets lagere contractprijzen voor kalverhouders die nieuwe contracten moesten afsluiten. De kosten dalen licht, door de langere leegstand hoeft minder mest te worden afgezet en ook de energie- en rentekosten zijn iets lager. De ‘vrije rosékalvermesters’ hebben in sterkere mate last gehad van de dalingen van vleesprijzen als gevolg van sluiting van horeca en foodservice in het buitenland (voornamelijk Frankrijk en Italië). Per saldo zal het inkomen op deze bedrijven aanzienlijk sterker teruglopen dan op de bedrijven met een contract.




Lagere inkomens akkerbouw
Het inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje lag de laatste jaren tussen de 40.000 en 45.000 euro. In het droge jaar 2018 lag het inkomen duidelijk boven dit niveau. De raming van het inkomen voor oogstjaar 2020 bedraagt ongeveer 41.000 euro. Dit is het resultaat van achterblijvende opbrengsten bij een licht gedaald kostenniveau. Het verkoopseizoen 2019/2020 eindigde met zeer lage prijzen voor vrije consumptieaardappelen, vooral het gevolg van het wegvallen van fritesafzet naar de horeca en van exportmogelijkheden door de coronamaatregelen. Door de overheid is een compensatieregeling opgesteld voor telers met onverkoopbare fritesaardappelen in opslag. Het afzetseizoen 2020/2021 begint ook met lage prijzen voor vrije aardappelen (-30%). De fritesafzet is nog steeds lager dan onder normale omstandigheden verwacht mag worden. Voor uien wordt voor oogstjaar 2020 een prijsstijging van +35% geraamd ten opzichte van 2019. Een kleiner areaal met lagere productie per hectare zorgt in combinatie met een forse vraag voor deze prijsstijging. Door de coronacrisis nam de vraag naar suikerhoudende voedingsmiddelen af. Dit heeft een negatief effect op de prijs die Cosun Beet Company kan realiseren. Normaal wordt er op de basisprijs voor quotumbieten een plus gerealiseerd onder andere doordat een positief resultaat van Aviko deels als zodanig wordt uitgekeerd aan de Cosun-leden, de suikerbietentelers in Nederland. Door de slechte marktomstandigheden in de aardappelsector zit die plus er dit jaar niet of nauwelijks in. Geraamd is daardoor met een 5% lagere financiële opbrengst per hectare dan voor oogst 2019. De vraag naar granen op de wereldmarkt is groot, terwijl de productie door droogte in diverse grote graanproducerende landen achterblijft. Dit zorgt ervoor dat de prijs voor tarwe, oogst 2020, 8% hoger wordt geraamd dan in 2019. 

Het inkomen op zetmeelaardappelbedrijven neemt licht toe. De verwachte hoge prestatieprijs van zetmeelaardappelen leidt tot licht hogere opbrengsten voor oogstjaar 2020, de kosten blijven gelijk. Het inkomen wordt geraamd op ongeveer 30.000 euro per onbetaalde aje. Een jaar eerder was dit enkele duizenden euro&39;s minder.

Divers inkomensbeeld glastuinbouw 
Het inkomen uit bedrijf in 2020 wordt voor een gemiddeld glastuinbouwbedrijf geraamd op ruim 180.000 euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (oaje). Dit is bijna 20.000 euro lager dan in 2019 en bijna 25.000 euro onder het gemiddeld inkomen in de periode 2015-2019. Het inkomen daaltmdat de opbrengsten sterker daalden (-2%) dan de kosten (-1%).Het is hoe dan ook een voor de land- en tuinbouw hoog niveau. Binnen de drie onderscheiden subtypen is de inkomensontwikkeling verschillend met een grote spreiding tot gevolg.

Het gemiddelde inkomen bij pot- en perkplantenbedrijven stijgt met circa 50.000 euro tot 181.000 euro per onbetaalde aje door een sterkere afname van de kosten dan de opbrengsten. De gemiddelde opbrengsten van potplanten zijn gedaald door vraaguitval vanwege corona, de kosten namen af doordat er minder potplanten werden opgepot en door lagere energiekosten. In de opbrengsten is rekening gehouden met ontvangen voorschotten uit de coronasteunmaatregelen “Aanvullende tegemoetkoming sierteelt” en “Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid”. De gemiddelde omzet voor perkplantenbedrijven is gestegen als gevolg van een grotere aandacht voor de tuin bij thuiswerkenden.

Het gemiddeld inkomen uit bedrijf per onbetaalde arbeidsjaareenheid van snijbloemenbedrijven daalt ten opzichte van 2019 met 54.000 euro naar circa 122.000 euro, ondanks ontvangen coronasteunmaatregelen door de overheid. De daling van het inkomen is het gevolg van lagere opbrengsten door lockdownmaatregelen in verschillende landen bij een geringere daling van de kosten. Het gemiddeld inkomen op glasgroentebedrijven wordt lager geraamd, de kosten nemen door groei in bedrijfsomvang sterker toe dan de opbrengsten. De opbrengst uit de verkoop van tomaten (belangrijkste gewas) ondervond dit voorjaar hinder van toegenomen concurrentie uit Marokko en Spanje en het stilvallen van verkoop naar foodservice na de corona-uitbraak. Telers van paprika kennen wel een goed seizoen. De opbrengsten uit de verkoop van elektriciteit namen ook af.

Merendeel tuinders in de opengrond ziet inkomen verbeteren
Binnen de opengrondstuinbouw wordt voor 2020, met uitzondering van de bloembollenteelt, een inkomensverbetering geraamd. Voor de boomkwekerijbedrijven is voor 2020 ten opzichte van 2019 gemiddeld een inkomensstijging per onbetaalde aje geraamd van 7%. Hierdoor komt het gemiddeld inkomen uit op 103.000 euro. In deze sector is een tweedeling te zien: enerzijds zijn er bedrijven die door lockdowns in hun afzetbestemmingen en de timing van hun oogstmoment sterk beperkt werden in de verkoop van het product (onder andere bij vroegbloeiende planten). Anderzijds zijn er bedrijven die hebben kunnen profiteren van de toegenomen belangstelling voor tuinproducten in de consumentenmarkt (hoveniers en particulieren) en die hebben geanticipeerd op een piekvraag na de lockdown in het voorjaar.

Op de vollegrondsgroentebedrijven wordt een inkomensstijging van gemiddeld ruim 50% geraamd dankzij gemiddeld hogere productprijzen bij een vergelijkbaar productieniveau als vorig jaar. Bij een belangrijk gewas aardbeien zorgde een goede vraag in combinatie met een krap aanbod op de Noordwest-Europese markt voor een hogere middenprijs dan vorig jaar. Bij asperges was er vanaf Pasen een hogere vraag vanuit de Nederlandse en Duitse retail en fors meer afzet in de huisverkoop. Het gemiddeld inkomen wordt geraamd op ruim 90.000 euro per onbetaalde aje.

In de fruitteelt is het inkomen gemiddeld ook fors gestegen, namelijk met een kleine 50% naar 51.000 euro per onbetaalde aje. Het absolute niveau ligt nog altijd 50% lager dan op de bedrijven in de overige drie opengrondstuinbouwsectoren. Door de coronacrisis steeg de verkoop van hardfruit, mensen gingen gezonder eten waaronder meer fruit. Daardoor eindigde het afzetseizoen 2019-2020 met behoorlijk hoge prijzen voor appels en peren. Omdat de voorraden aan het begin van het nieuwe seizoen 2020-2021 op waren, bleef het prijsniveau voor zowel appels als peren gunstig. Bij zacht fruit waren de resultaten wisselend. Rode bessen bijvoorbeeld worden vooral afgezet richting horeca waardoor de omzet achter bleef.

In de bloembollenteelt dalen de inkomens per onbetaalde aje gemiddeld met 9% tot 105.000 euro per onbetaalde aje. De financiële opbrengsten zijn ten opzichte van 2019 licht gedaald als gevolg van een iets lager productieniveau per hectare en een lager prijspeil, vooral als gevolg van malaise op de leliemarkt. Voor de overige bloembollen is over het algemeen de prijsvorming prima door de goede balans tussen vraag en aanbod. De kosten zijn daarbij wel toegenomen. In de geraamde opbrengsten is rekening gehouden met ontvangsten uit de coronasteunmaatregelen “Aanvullende tegemoetkoming sierteelt” en “Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid”.





Inkomen en rentabiliteit per bedrijfstype, 2001-2020 
De fluctuaties in inkomen en rentabiliteit op agrarisch bedrijven zijn van oudsher groot. Daar liggen vele factoren aan ten grondslag, zo kunnen kleine veranderingen in vraag en aanbod een sterk effect kunnen hebben op de prijsvorming. Voor de laatste jaren zijn de enorme fluctuaties in het inkomen en rentabiliteit op varkensbedrijven opvallend. In 2016 en 2017 goed, 2019 top en zowel in 2015, 2018 en 2020 een diep dal. Belangrijke oorzaak voor de sterke prijsfluctuaties van de laatste paar jaren is de grootschalige verspreiding van Afrikaanse varkenspest (AVP) in China, wat leidde tot een forse importbehoefte in dat land en hoge prijzen. Daarbij speelde de coronapandemie een rol in vraaguitval, (gedeeltelijke) sluitingen van slachterijen en verwerkers en handelsbeperkingen. Van recenter datum is de uitbraak van AVP onder wilde varkens in Duitsland, wat geleid heeft tot een overschot aan varkensvlees op de Europese markt. 


De resultaten voor de totale land- en tuinbouw zijn in 2020 verslechterd. De gemiddelde rentabiliteit daalt met 5 punten naar 98 euro opbrengsten per 100 euro kosten. Hierbij moet worden aangetekend dat in 2019 pas voor de tweede keer sinds 2000 (na 2017) een gemiddelde rentabiliteit voor land- en tuinbouw totaal van boven de 100% is gerealiseerd. In 2017 en 2019 ontving de agrarische ondernemer daarmee (naast de dekking van de betaalde kosten en afschrijvingen) een meer dan marktconforme beloning voor de inzet van eigen arbeid en eigen vermogen. Bij de ontwikkeling van het inkomen speelt behalve de ontwikkeling van opbrengstprijzen, ook de dynamiek in de sector een rol. Het gemiddelde bedrijf verandert voortdurend, onder andere door stoppende bedrijven en de expansiedrift van bedrijven die verder willen groeien. De stoppers zijn over het algemeen bedrijven met wat lagere inkomens uit landbouwactiviteit. Ze zijn ofwel kleiner en behalen daardoor een lager inkomen, ofwel de resultaten vallen tegen en daardoor laten ze zich min of meer gedwongen door anderen overnemen, vaak door bij de generatiewisseling van bedrijfsovername af te zien. Het kan hierbij ook gaan om agrarische bedrijven die met verbreding als neventak zijn begonnen maar op een bepaald moment hebben besloten de landbouwtak niet verder uit te breiden of zelfs af te stoten en zich te specialiseren op de verbredingstak.

Grote inkomensverschillen tussen bedrijven
De hoogte van het inkomen van een bedrijf hangt onder andere samen met de marktstrategie, de bedrijfsomvang, de bedrijfsopzet, het productenpakket en de prijsvorming van die producten. Uiteraard spelen bij al die punten ook vakmanschap en managementkwaliteiten van de ondernemers een rol. Dit jaar hebben de gevolgen van de coronapandemie en de mate waarin dit effect heeft gehad op de afzet van het geproduceerde product een grote invloed gehad op de inkomensvorming. Bij de schommelingen van het inkomen door de jaren speelt vooral de prijsvorming van de producten een grote rol en daarnaast in de open teelten de variatie in kg-opbrengsten, die onder invloed van het weer van jaar tot jaar sterk kunnen wisselen. In 2020 heeft de uitbraak van corona in diverse sectoren gezorgd voor een minder continue productiestroom als gevolg van vraaguitval, zoals leegstand van stallen bij vleeskuikens en kalveren en minder oppotten van nieuwe planten in kassen.

Voor 2020 wordt voor het gemiddelde land- en tuinbouwbedrijf een inkomen geraamd van 54.000 euro per onbetaalde aje (zie onderstaande figuur). In de figuur geeft het groene vlak de inkomens per onbetaalde aje van 60% van de bedrijven weer. Deze bandbreedte loopt van 4.000 euro negatief tot 78.000 euro. 20% van de bedrijven realiseert een inkomen onder deze bandbreedte. Een even zo grote groep behaalt een inkomen boven deze bandbreedte. Gezien de verschillen in resultaten tussen de bedrijfstypen bevinden in 2020 de glastuinbouw-, geiten-, vollegrondsgroente-, boomkwekerij- en bloembollenbedrijven zich vooral aan de bovenkant van de inkomensverdeling en de varkens-, biologische melkveebedrijven en bedrijven met reguliere vleeskuikens aan de onderkant. Ook binnen de bedrijfstypen is de spreiding groot (zie inkomen uit bedrijf per sector voor de afzonderlijke spreidingsfiguren).
 




Referenties
Arbeidskengetal: onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje)
De meeste arbeid wordt geleverd door ondernemers en hun gezinsleden, die veelal geen salaris ontvangen. Hun onbetaalde arbeid wordt uitgedrukt in aje’s. Een arbeidskracht van 2.000 uur of meer wordt gezien als één aje. Wie minder werkt, is minder dan één aje. De onbetaalde aje wordt gebruikt als deelfactor voor het inkomen uit bedrijf. Daarmee is het resultaat dus gekoppeld aan de hoeveelheid input.



Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief


Top of page