Het factorinkomen (netto toegevoegde waarde + subsidies - belastingen) per arbeidskracht, gecorrigeerd voor inflatie, wordt door Eurostat gehanteerd om de inkomensontwikkeling in de EU-lidstaten met elkaar te vergelijken. In veertien van de 27 lidstaten daalde deze indicator in 2024. Het betrof dit jaar van de grote lidstaten alleen Duitsland, Frankrijk en Polen. In Spanje en ItaliĆ« nam de indicator wel toe. De totale waarde in euroās van het factorinkomen was in 2023 in Frankrijk, ItaliĆ« en Spanje nog ongeveer even hoog (16% van het EU-totaal). Het aandeel van Duitsland en Polen bedroeg respectievelijk zoān 13% en 8%. Door de toename van het factorinkomen in Spanje en ItaliĆ« is het aandeel van deze twee landen in het totale factorinkomen van EU-27 toegenomen tot 36% terwijl het gezamenlijke aandeel van Frankrijk, Duitsland en Polen daalde tot 33%. Deze vijf grote landen zijn samen goed voor zoān 69% van het totale factorinkomen in de EU-27 en daarmee heel bepalend voor de ontwikkeling van het factorinkomen van EU-27. De sterkste stijging vond plaats in Letland (+46,9%), gevolgd door Luxemburg (+27,1%) en Zweden (+22,5%). Naast Nederland, bleef de indicator ook in BelgiĆ« nagenoeg gelijk en in de overige 12 lidstaten daalde de indicator, variĆ«rend van -1,4% in Cyprus tot -16,8% in RoemeniĆ«.
In de gehele EU en in 15 lidstaten van de EU namen de gemiddelde opbrengstprijzen voor plantaardige producten af. Met name voor granen werden in vrijwel alle lidstaten lagere prijzen gerealiseerd. Voor groenten waren er in de vijf belangrijkste groenteproducerende lidstaten hogere prijzen, met uitzondering van Spanje. Voor fruit waren er in Spanje, met een aandeel van 30% in de EU, 7% lagere prijzen. Dit werd vooral veroorzaakt door fors lagere prijzen voor olijven in zowel Spanje (-20%) als Portugal (-30%). In Italiƫ en Griekenland waren de prijzen voor olijven juist sterk toegenomen met respectievelijk +31% en +17%. Voor olijfolie werden in 2024 in alle zuidelijke lidstaten, met uitzondering van Portugal, hogere prijzen gerealiseerd. Voor de dierlijke producten is de prijsontwikkeling eenduidiger. Met name in Ierland, Nederland, Zweden en de Baltische staten zijn de gemiddelde opbrengstprijzen voor dierlijke producten gestegen. Voor rundvlees vertoonden bijna alle lidstaten een prijsstijging, terwijl de gemiddelde prijsontwikkeling voor varkensvlees en pluimveevlees in de meeste lidstaten juist een daling vertoonde. De melkprijsontwikkeling vertoonde een meer wisselend beeld. Van de belangrijke melkproducerende landen namen de prijzen in Nederland, Duitsland en Italiƫ toe, terwijl er in Frankrijk en Polen een lichte daling was. In de meeste landen zijn de gemiddelde prijzen voor inputs (energie, kunstmest en veevoer) fors gedaald. De enige uitzondering is Cyprus, met een gemiddelde prijsstijging voor inputs van rond de 4,5%.
De meeste van de ons omringende landen vertonen een vergelijkbare ontwikkeling van het reƫle factorinkomen per arbeidskracht als in Nederland. Belgiƫ kwam op exact hetzelfde percentage als Nederland terwijl in Duitsland en Denemarken het reƫle factorinkomen per arbeidskracht met respectievelijk -1,6% en -2,3% daalde. Alleen in Frankrijk nam het reƫle factorinkomen per arbeidskracht sterker af, namelijk met -9%. Deze afname is vooral toe te schrijven aan sterk gedaalde prijzen en volumes bij granen en wijn, die beide zwaar meewegen in de Franse productiewaarde. De totale kosten daalden in Frankrijk ook, maar minder sterk dan de opbrengsten. Er waren met name lagere prijzen voor energie, kunstmest en veevoer. In Belgiƫ bleef het reƫle factorinkomen per arbeidskracht, net als in Nederland, nagenoeg onveranderd. Net als in Nederland waren er ook in Belgiƫ hogere prijzen voor plantaardige producten en een lagere productie. In Belgiƫ is de varkensproductie nog wel toegenomen, maar waren er net als in Nederland lagere prijzen. Vergelijkbaar met Nederland steeg ook de melkprijs (+5,5%). Ook in Belgiƫ zijn de veevoerkosten een belangrijke component in de totale kosten van de agrarische sector en was er een afname in zowel volume als prijs. In Duitsland werden de gemiddeld lagere prijzen voor plantaardige producten gecompenseerd door hogere prijzen voor dierlijke producten. Er worden fors lagere opbrengstprijzen geraamd voor granen (-21,6%), terwijl groenten (+19,7%) en fruit (+38,4%) sterk in prijs stegen. Prijzen voor rundvee en melk stegen met respectievelijk 5,1% en 4,4%, terwijl de prijzen voor varkens en pluimvee met bijna 8% daalden. Aan de inputkant dalen de gemiddelde prijzen in Duitsland, onder invloed van lagere prijzen voor energie, kunstmest en veevoer, sterker dan de gemiddelde opbrengstprijzen. Het factorinkomen en het aantal arbeidskrachten blijft nagenoeg gelijk, maar als gevolg van de inflatie daalt het reƫle factorinkomen per arbeidskracht in Duitsland toch met -1,6%.
Van de grotere EU-lidstaten werd alleen in Italiƫ (+12,5%) en Spanje (+9,2%) een hoger factorinkomen per arbeidskracht geraamd. In Frankrijk (-8,9%) en Polen (-12,5%) daalde het reƫle factorinkomen per arbeidskracht juist sterk. In Polen daalde de gemiddelde opbrengstprijs, onder invloed van lagere prijzen voor graan (-14,5%), melk (-2%), pluimvee (-8,6%) en eieren (-18,5%). In Polen daalde de gemiddelde prijs van inputs (-6,3%) sterker dan de gemiddelde opbrengstprijs. Tegelijkertijd steeg het volume van inputs sterker dan dat van de output.
Het beeld in de Zuid-Europese landen (Frankrijk, Italiƫ, Spanje, Portugal en Griekenland) is verdeeld. Spanje, Griekenland, Italiƫ, en Portugal ramen een sterke stijging van het reƫle factorinkomen per arbeidskracht met respectievelijk 9,2%, 11%, 12,5% en 14,7%. Alleen in Frankrijk daalde het reƫle factorinkomen per arbeidskracht. Voor deze Zuid-Europese landen zijn de volume- en prijsontwikkeling van wijn, olijfolie en fruit van groot belang. De opbrengstprijs voor olijfolie steeg sterk in Spanje (+23,1%), Griekenland (+48,9%) en Italiƫ (+16,5%). Alleen in Portugal, waar de olijfolieprijzen vorig jaar al zeer sterk gestegen waren, worden nu lagere prijzen gerealiseerd (-29,3%). Ook voor fruit werden, met uitzondering van Portugal en Spanje, in alle overige Zuid-Europese landen hogere prijzen gerealiseerd, variƫrend van +2,6% in Frankrijk tot +4% in Italiƫ en +10,9% in Griekenland. In vrijwel alle belangrijke wijnproducerende landen, met uitzondering van Italiƫ (+12,6%), werden lagere prijzen voor wijn gerealiseerd. Met name in Duitsland is de gemiddelde prijs voor wijn sterk gedaald (-11,3%).
Nederland kent, met de in productiewaarde gemeten grote omvang van de glastuinbouwsector (groenten, planten en bloemen), een soortgelijke uitzonderingspositie in Europa. Veel glastuinders hebben de teeltplannen aangepast met meer (led)belichting en zijn weer meer teruggegaan naar de oude teeltprogrammaās, met belichte teelt in de wintermaanden, van voor de extreem hoge energieprijzen. Hierdoor is het productievolume van de totale glastuinbouw nagenoeg gelijk aan vorig jaar. Wel zijn er lagere prijzen voor glasgroenten (-11%) en hogere prijzen voor bloemen en planten (+6,9%) geraamd. Dit heeft er voor een belangrijk deel aan bijgedragen dat de totale plantaardige productiewaarde voor Nederland, ondanks de sterk gedaalde prijzen voor granen en oliezaden, in 2024 nog iets hoger uitkomt dan in 2023. De kosten van het intermediair verbruik van productiemiddelen daalde in 26 van de 27 EU-lidstaten. Prijzen voor energie, kunstmest en veevoer zijn, ten opzichte van vorig jaar, in vrijwel alle EU-lidstaten sterk zijn gedaald. Prijzen voor onderhoud aan gebouwen en machines stegen wel in alle lidstaten.
In de EU-27 is het volume van de totale agrarische productie in 2024 met zoān 0,5% toegenomen. Zowel de plantaardige productie (+0,4%), als de dierlijke productie (+0,9%) steeg.
De toename van de productie in de akkerbouw- en tuinbouwsector deed zich in de EU-27 in 2024 voor bij vrijwel alle belangrijke productgroepen met uitzondering van granen (-3,1%), oliezaden (-14,3%), bloemen en planten (-4,2%) en wijn (-10,1%). De toename van de EU-productie was het sterkst bij olijven (+35,4%), olijfolie (+9,1%), voedergewassen (+7,2%), fruit (+4,5%) en groenten (+2,1%). In 2024 wordt voor plantaardige producten, naast een hogere gemiddelde productie, wel een lagere gemiddelde prijs geraamd (-2,8%). Deze afname van de gemiddelde prijzen in de totale EU-27 wordt vooral veroorzaakt door de sterk gedaalde prijzen voor citrusfruit (-6,5%), graan (-11%), voedergewassen (-16,2%) en olijven (-16,8%). Voor vrijwel alle andere gewassen, maar met name voor olijfolie (+24,9), waren er gemiddeld hogere prijzen in 2024. Olijfolie was in 2023 ook al sterk in prijs gestegen.
De dierlijke productie in de EU-27 steeg dit jaar licht (+0,9%). Deze toename doet zich voor bij de meeste belangrijke producten. Alleen de productie van paarden, schapen en geiten en overige dieren en dierlijke producten nam in 2024 af. De gemiddelde prijs voor dierlijke producten daalde, net als bij de plantaardige producten, met gemiddeld -1,5%. Met name bij varkens en pluimvee waren er gemiddeld respectievelijk -5,6% en -6,7% lagere prijzen. Ook voor eieren (-7,4%) werden lagere prijzen gerealiseerd. Alleen de prijs van schapen en geiten (+11,9%), rundvee (+3,1%) en melk (+0,9%) vertoonde een toename ten opzichte van vorig jaar. Ondanks dat er ook nog steeds krapte op de markt is als gevolg van vogelgriepuitbraken en de nog steeds doorwerkende varkenspestuitbraken in diverse lidstaten, heeft dit niet geleid tot gemiddeld hogere prijzen in de EU voor pluimvee, eieren en varkens.
De hoeveelheid aangekochte goederen en diensten nam in 2024 met 0,8% iets sterker toe dan het agrarische productievolume. De gemiddelde prijs van aangekochte goederen en diensten daalde (-6,4%) wel sterker dan de gemiddelde prijs van de totale agrarische output. De prijzen voor energie, kunstmest en aangekocht veevoer daalden het sterkst, met respectievelijk -6,4%, -17% en -13,7%. Dit was het tweede opeenvolgende jaar dat deze producten goedkoper werden. De kosten voor zaaizaad en pootgoed (+3,7%) en onderhoud gebouwen en machines (+3,5%) liepen daarentegen opnieuw in prijs op. Doordat het volume van de output en het volume van de kosten in nagenoeg gelijke mate stegen, bleef de productiviteit gelijk. De ruilvoet verbeterde wel doordat de gemiddelde kostprijs (-6,4%) sterker daalde en de gemiddelde opbrengstprijs (-2%).
De bruto toegevoegde waarde van de landbouw in de totale EU-27 is door de hier beschreven ontwikkelingen met ruim 4% toegenomen. De hogere afschrijvingen en belastingen en de lagere subsidies zorgden voor een toename van het gemiddelde factorinkomen in de EU-27 met 3,9%. Door de inflatiecorrectie en een gedaald arbeidsvolume (-1%) stijgt het reƫle factorinkomen per arbeidskracht in de EU-27 per saldo met 1,6%.
|