| Vergelijking in opzet - Melkveehouderij |
Biologische bedrijven hebben afwijkende bedrijfsopzet, hogere melkprijs; stabieler maar lager inkomen
|
23-4-2026
|
In 2024 wordt ongeveer 3% van de koeien in Nederland biologisch gehouden. Dit aandeel is tussen 2016 en 2024 verdubbeld. Biologische bedrijven gebruiken geen chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest en daarmee onderscheiden zij zich van hun gangbare collegaās. Daarnaast zijn biologische bedrijven verplicht weidegang toe te passen en konden ze geen gebruikmaken van derogatie voor het gebruik van dierlijke mest. Biologische melkveebedrijven zijn extensiever in aantal koeien per hectare en hebben een lagere melkproductie per koe. Hun omvang, gemeten in totale melkproductie, is ruim een derde lager in vergelijking met de gangbare collegaās. De biologische melkveebedrijven hebben over de periode 2019-2021 een inkomen per onbetaalde aje dat 7% lager ligt dan op de gangbare melkveebedrijven; in de periode 2022-2024 ligt het inkomen van de biologische bedrijven zoān 36% lager door de relatief hoge gangbare melkprijs in 2022. Door de extensievere bedrijfsvoering en de kleinere bedrijfsomvang wat betreft melkproductie hebben biologische bedrijven een significant, ruim een derde, hogere kostprijs. Ook nam de kostprijs over de twee genoemde 3 jaarsgemiddelden op de biologische bedrijven in absolute zin met 16 euro meer toe dan op de gangbare waar de toename 11 euro per 100 kg melk bedroeg. De verschillen in resultaten tussen biologisch en gangbaar in dit artikel zijn gebaseerd op bedrijven die al biologisch zijn. Het gaat dus niet om de kosten van de omschakeling zelf. Omschakeling naar biologisch heeft ook economische gevolgen voor het bedrijf maar deze zijn voor deze bedrijven niet meegenomen omdat de omschakeling in het verleden heeft plaatsgevonden. In 2024 worden er in Nederland circa 46.750 melkkoeien biologisch gehouden, zo blijkt uit de Landbouwtellingscijfers van het CBS. Dit is 3% van het totaal aantal koeien. Van de 13.900 bedrijven met melkkoeien in 2024 zijn er 538 biologisch (4,1%). In 2010 waren deze percentages met respectievelijk 1,6 en 2% de helft lager.
|
Bedrijfsopzet: biologische bedrijven hebben een kleinere veestapel en zijn extensiever dan gangbare melkveebedrijven Per hectare voedergewas produceren de biologische melkveebedrijven ruim de helft minder melk dan de gangbare melkveebedrijven (tabel 1 en 2). Dit hangt samen met het feit dat de biologische melkveebedrijven minder koeien per hectare houden en minder melk per koe produceren. De intensiteit in melkproductie per hectare is op de gangbare bedrijven tussen 2022-2024 en 2019-2021 iets toegenomen. Ten opzichte van het gemiddelde gangbare melkveebedrijf heeft het biologische bedrijf in de periode 2022-2024 een groter areaal in gebruik (ongeveer 8 ha meer) waarop minder melkkoeien gehouden worden. Het verschil wordt kleiner omdat de gangbare bedrijven sterker groeien in aantal koeien en daarvoor ook meer grond verwerven. Door een lager bemestingsniveau en een derde lagere krachtvoergift wordt bijna een kwart lagere melkproductie per koe gerealiseerd. Andere verschillen zijn dat biologische bedrijven meer weidegang toepassen en een lager vervangingspercentage hebben. Biologische bedrijven gebruiken nauwelijks antibiotica (dit is wel toegestaan in de biologische melkveehouderij in noodgevallen). Het aantal grootvee eenheden (gve) per hectare, aandeel grasland, melkproductie per hectare en per koe, kg krachtvoer per koe en weidegang zijn het meest significant verschillend.
Tabel 1 Structuur melkveebedrijven naar gangbaar en biologisch 2022-2024 |
| Aantal bedrijven populatie (per jaar) | 12.694 | 489 | | | Aantal koeien | 116 | 83 | | | Aantal ha | 62 | 70 | | | Aantal gve per ha | 2,3 | 1,5 | ** | | Aandeel grasland | 85 | 96 | ** | | Melkproductie per bedrijf (x 1.000 kg) | 1.132 | 614 | * | | Melkproductie per ha voedergewassen (x 1.000 kg) | 18,3 | 8,8 | ** | | Aandeel bedrijven met melkrobot | 43 | 32 | | | Aandeel bedrijven met bedrijfshoofd jonger dan 50 of met opvolger | 65 | 78 | | | Melkproductie per koe (kg) | 9.759 | 7.425 | ** | | Krachtvoer per koe (kg) | 2.583 | 1.735 | ** | | Jongveebezetting (per 10 melkkoeien) | 5,4 | 5,9 | | | Weidegang (uur per koe per jaar) | 1.054 | 2.705 | ** | | Aandeel biologisch | 0 | 100 | ** | | Vervangingspercentage melkkoeien | 22 | 19 | | | Antibiotica gebruik (dierdagdoseringen per dierjaar) | 0,4 | 0,1 | |
Tabel 2 Structuur melkveebedrijven naar gangbaar en biologisch 2019-2021 |
| Aantal bedrijven populatie (per jaar) | 13.988 | 506 | | | Aantal koeien | 107 | 82 | | | Aantal ha | 56 | 69 | | | Aantal gve per ha | 2,3 | 1,5 | ** | | Aandeel grasland | 86 | 95 | ** | | Melkproductie per bedrijf (x 1.000 kg) | 1.024 | 603 | * | | Melkproductie per ha voedergewassen (x 1.000 kg) | 18,2 | 8,8 | ** | | Aandeel bedrijven met melkrobot | 34 | 30 | | | Aandeel bedrijven met bedrijfshoofd jonger dan 50 of met opvolger | 61 | 60 | | | Melkproductie per koe (kg) | 9.584 | 7.385 | ** | | Krachtvoer per koe (kg) | 2.537 | 1.688 | ** | | Jongveebezetting (per 10 melkkoeien) | 5,2 | 5,8 | | | Weidegang (uur per koe per jaar) | 1.211 | 3.076 | ** | | Aandeel biologisch | 0 | 100 | ** | | Vervangingspercentage melkkoeien | 20 | 20 | | | Antibiotica gebruik (dierdagdoseringen per dierjaar) | 1 | 0,1 | * |
Economie: stijging inkomen uit bedrijf voor gangbare bedrijven door hoge melkprijs in 2022 De biologische melkveehouders ontvangen een hogere melkprijs voor hun geleverde melk (tabel 3 en 4). De biologische melkprijs kent zijn eigen marktwerking en is feitelijk vanaf 2013 ontkoppeld van de gangbare melkprijs en over een langere periode stabieler (zie ook figuur over ontwikkeling melkprijs). Voor 2013 werd er op basis van meerkosten voor biologische bedrijven een plus op de gangbare melkprijs vastgesteld. Het verschil in melkprijs is in de periode 2022-2024 teruggelopen naar bijna 9 euro per 100 kg terwijl dit over de periode 2019-2021 nog 13 euro was. Door dit kleinere verschil is het inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje op de biologische bedrijven tussen deze twee perioden met 15.000 euro toegenomen, tegenover een toename van 42.000 euro per onbetaalde aje op de gangbare bedrijven. Deze sterke stijging op de gangbare melkveebedrijven wordt voor een groot deel veroorzaakt door het goede melkprijsjaar 2022. Zonder 2022 zou het inkomen op de gangbare melkveebedrijven over de periode 2023-2024 toch nog met 28.000 euro per onbetaalde aje zijn gestegen ten opzichte van 2019-2021; op de biologische bedrijven is deze stijging 14.000 euro en wijkt nauwelijks af in vergelijking met het gemiddelde inclusief 2022. De conclusie is dat als je over de hele periode 2019-2024 het gerealiseerde inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje vergelijkt, er een verschil overblijft tussen de gangbare en biologische melkveehouderij van 17.000 euro in het voordeel van de gangbare melkveebedrijven (zie ook figuur over inkomensontwikkeling). De biologische bedrijven hebben bijna een derde lagere schuldenlast op bedrijfsniveau over de periode 2022-2024. Door een geringere melkproductie per bedrijf resulteert dit bij de biologische bedrijven toch nog in een kwart hogere schuldenlast per kg melk. Zowel op de gangbare als biologische melkveebedrijven is deze gedaald in de periode 2022-2024 ten opzichte van 2019-2021 (tabel 3 en 4). Door deze lagere schuldenlast op bedrijfsniveau is de solvabiliteit op de biologische bedrijven iets hoger in de periode 2022-2024. Door de extensievere bedrijfsvoering en de lagere melkproductie per bedrijf hebben de biologische bedrijven een hogere kostprijs in vergelijking met de gangbare bedrijven. Het verschil tussen de kostprijs en de melkprijs was bij de gangbare en biologische melk respectievelijk 8 en 11 euro per 100 kg over de periode 2019-2021, maar door de eerdergenoemde prijsstijging van de gangbare melk in 2022 is het verschil met de kostprijs in de laatste driejarige periode teruggelopen naar 5 euro voor de gangbare melk en liep deze door de eerder genoemde forse kostprijsstijging bij de biologische bedrijven op naar 17 euro. Ondanks het grote verschil in inkomen is het verschil niet significant. Dit komt omdat er binnen beide groepen grote verschillen in inkomen voorkomen. Dit is wel het geval bij de melkprijs, kostprijs en kritieke melkprijs. De diergezondheidskosten en saldo per koe zijn alleen het meest significant verschillend over de periode 2019-2021.
Tabel 3 Economie melkveebedrijven naar gangbaar en biologisch 2022-2024 |
| Melkprijs (euro per 100 kg melk) | 52 | 61 | ** | | Kostprijs melk (euro per 100 kg melk) | 57 | 78 | ** | | Kritieke melkprijs (euro per 100 kg melk) | 49 | 61 | ** | | Diergezondheidskosten per koe | 131 | 85 | * | | Opbrengsten per koe | 5.648 | 5.420 | | | Betaalde kosten per koe (incl afschrijving) | 4.369 | 4.338 | | | Saldo per koe | 3.187 | 2.976 | | | Inkomen uit bedrijf | 149.830 | 88.810 | | | Idem per onbetaalde aje | 85.930 | 55.060 | | | Solvabiliteit | 77 | 81 | | | Langlopende schulden per 100 kg melk | 99 | 124 | |
Tabel 4 Economie melkveebedrijven naar gangbaar en biologisch 2019-2021 |
| Melkprijs (euro per 100 kg melk) | 38 | 51 | ** | | Kostprijs melk (euro per 100 kg melk) | 46 | 62 | ** | | Kritieke melkprijs (euro per 100 kg melk) | 41 | 57 | ** | | Diergezondheidskosten per koe | 113 | 75 | ** | | Opbrengsten per koe | 4.120 | 4.447 | | | Betaalde kosten per koe (incl afschrijving) | 3.460 | 3.680 | | | Saldo per koe | 2.212 | 2.558 | ** | | Inkomen uit bedrijf | 70.980 | 63.560 | | | Idem per onbetaalde aje | 43.640 | 40.410 | | | Solvabiliteit | 73 | 74 | | | Langlopende schulden per 100 kg melk | 107 | 141 | |
|