| Actuele voedselprijzen - Zuivel |
Forse daling af-boerderijprijzen werkt slechts beperkt door in producenten- en consumentenprijzen
|
1-6-2026
|
De consumentenprijsindex (CPI) van zuivel eindigde in februari 2026 op 130 punten (2020 = 100). De producentenprijsindex (PPI) daalde in februari 2026 met 4% ten opzichte van december 2025 en kwam daarmee uit op 120 punten. De prijsindex af boerderij (API) daalde verder en stond in februari 2026 op 111 punten.
|
Prijsontwikkelingen De consumentenprijsindex (CPI) van zuivel eindigde in februari 2026 op 130 punten (2020 = 100). Daarmee lag de index 2 punten lager dan in december 2025, een negatief verschil van 2%. De consumentenprijsindex van zuivel is in de loop van 2025 en begin 2026 verder gedaald ten opzichte van de piek in 2023, maar de daling verloopt geleidelijk. Ondanks deze correctie blijven de consumentenprijzen op een relatief hoog niveau, terwijl de af-boerderijprijzen veel sterker zijn gedaald. Dit sluit aan bij recente analyses over de grote kloof tussen melkprijs en winkelprijs, waarbij melkveehouders te maken hebben met melkprijzen die in 2026 vaak onder de kostprijs liggen (ZuivelNL, 2026).
De consumentenprijs van zuivel bestaat uit verschillende componenten, zoals verse halfvolle en magere melk, houdbare melk en room, yoghurt, kaas en overige zuivelproducten. Verse halfvolle melk had in februari 2026 de laagste prijsindex, die met 116 punten ongeveer 4% lager is dan een jaar eerder, terwijl de prijs ten opzichte van december 2025 weer licht is gestegen (+1%). De prijsindex van houdbare melk en room stond op 137 punten, die van yoghurt op 135 punten en die van kaas op 137 punten. Voor deze producten is de prijscorrectie over het afgelopen jaar beperkt: de prijzen van houdbare melk en room en yoghurt liggen slechts circa 1% lager dan in februari 2025, terwijl de prijsindex van kaas redelijk stabiel is gebleven (+0,1%). Deze verschillen suggereren dat de prijzen van verse melk dichter en sneller aansluiten bij de af boerderijprijs en bij promoties in het supermarktkanaal, terwijl voor producten als kaas en houdbare melk prijsaanpassingen trager en minder volledig worden doorgevoerd. Dit hangt samen met langere contract- en voorraadcycli, hogere verwerkingskosten en overige kosten en een grotere mate van toegevoegde waarde in deze productgroepen.
De producentenprijsindex van de zuivelindustrie kwam in februari 2026 uit op 120 punten en was daarmee duidelijk lager dan eind 2025. Het effect is echter sterk gedempt in vergelijking met de API. Dit laat zien dat de sterke prijsdruk op rauwe melk slechts gedeeltelijk wordt doorgegeven in de verwerkende schakel, wat past bij het beeld dat in Nederland de kosten van verwerking, logistiek en afzet relatief hoog blijven en een belangrijk aandeel in de PPI hebben.
De prijsindex af boerderij daalde in februari 2026 naar 111 punten en lag daarmee aanzienlijk onder het niveau van zowel december 2025 (-12%) als februari 2025 (-31%). Deze scherpe daling weerspiegelt vooral de verslechterde marktsituatie voor rauwe melk, waarbij het aanbod in binnen- en buitenland ruim bleef terwijl de vraag zich maar geleidelijk herstelde. ZuivelNL beschrijft voor 2026 een nog steeds ruime Nederlandse melkaanvoer. In de eerste twee maanden van 2026 lag de Nederlandse melkaanvoer 5,7% hoger dan in dezelfde periode van 2025, terwijl februari alleen al een stijging van 5,4% liet zien. Tegelijkertijd verwacht ZuivelNL dat lagere melkprijzen en het definitieve einde van de derogatie in de loop van het jaar een rem zullen zetten op verdere productiegroei. Dat is relevant voor de Nederlandse melkveehouderij, omdat de afbouw van de derogatie de druk op de mestmarkt vergroot en in combinatie met lagere melkprijzen de rentabiliteit van bedrijven verder onder druk zet (ZuivelNL, 2026).
Het wereldmarktbeeld is minder eenduidig dan alleen een verhaal van overaanbod. Rabobank schetst in haar zuivelupdate van maart 2026 (Rabobank, 2026) een situatie van hoge melkaanvoer én stijgende wereldmarktprijzen voor zuivelproducten. De stijgende prijzen worden verklaard door extra vraag uit China en Zuidoost-Azië door het Chinees nieuwjaar (eind februari) en de ramadan. Daarnaast zijn de zuivelvoorraden klein, waardoor extra vraag eerder invloed heeft op de marktprijzen, ondanks het grote aanbod. Vooral Nieuw-Zeeland profiteert van de groeiende vraag uit Azië vanwege de geografische ligging en vrijhandelsverdragen. ZuivelNL meldt voor maart 2026 dat vooral de markt voor magere-melkpoeder verbeterde door goede exportvraag en een concurrerende positie van Europese producten. Voor boter was het beeld gemengd; na een opleving verzwakte de markt weer. Deze ontwikkelingen tonen aan dat de daling van de API niet één-op-één samenvalt met alle ontwikkelingen op de wereldwijde zuivelmarkt. Hoewel de roep om hogere melkprijzen steeds duidelijker klinkt, zullen de melkprijzen in Nederland niet snel stijgen. In de afgelopen periode zijn de uitbetaalprijzen hoger geweest dan de markt rechtvaardigde en daarom is een snelle prijsverhoging niet aannemelijk.
Voor de consumentenprijs betekent dit dat de daling naar verwachting voorlopig beperkt blijft. De combinatie van een fors gedaalde API, een gematigder dalende PPI en een slechts beperkte correctie van de CPI wijst erop dat de prijsaanpassing in de keten nog onvolledig is en dat het verschil tussen de boerderijprijs en de consumentenprijs voorlopig groot blijft.
Keten Het merendeel van de zuivelproducten wordt door consumenten in Nederland in het supermarktkanaal gekocht. Supermarkten kopen melk en zuivelproducten van de zuivelindustrie, die daarnaast ook een aanzienlijk deel exporteert. Ook wordt consumentenzuivel geïmporteerd. De Nederlandse industrie wordt nagenoeg volledig beleverd door de Nederlandse melkveehouders. Er vindt nauwelijks import van rauwe melk plaats.
-Melkveehouderij
In 2022 waren er in Nederland circa 14,7 duizend bedrijven met melk- en kalfkoeien, die gezamenlijk 13,8 miljard kg melk afleveren aan de Nederlandse zuivelindustrie; een relatief klein deel wordt achtergehouden op boerderijen en daar verwerkt (op basis van cijfers van het CBS).
-Industrie
In 2022 telde de Nederlandse zuivelindustrie 26 ondernemingen die in totaal 52 productielocaties hebben met een capaciteit groter dan 10 miljoen kg (ZuivelNL). Ongeveer 90% van de gecollecteerde melk wordt verwerkt door vijf coöperaties. Het overgrote deel van de rauwe melk wordt verwerkt in kaas (circa 57%) en melkpoeder (circa 13%).
-Afzet Circa 30% van de zuivelproductie blijft in Nederland, 45% wordt binnen de EU afgezet en met name in Duitsland, België en Frankrijk. De Nederlandse zuivelsector is internationaal georiënteerd: het saldo van de handelsbalans bedraagt 4,1 miljard euro. Ongeveer een kwart van de geëxporteerde zuivel verlaat de EU, waarbij China, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk de drie belangrijkste afzetlanden zijn buiten de EU (ZuivelNL).
De Nederlandse afzetmarkt is overzichtelijker dan de wereldmarkten als het gaat om de opererende zuivelaanbieders en afnemende partijen. Vóór de coronacrisis werd driekwart van de zuivelproducten in Nederland via de retail verkocht en een kwart via de horeca en andere kanalen. Het totaal aan consumentenbestedingen aan zuivel in alle verkoopkanalen voor voedsel in Nederland wordt geraamd op ruim 7 miljard euro (op basis van de Monitor Duurzaam Voedsel 2022). Op de Nederlandse retailmarkt zijn de inkooporganisaties van supermarkten Ahold Delhaize (37% marktaandeel), Jumbo (21% marktaandeel) en Superunie (26% gezamenlijk marktaandeel van aangesloten winkelformules) de belangrijkste afzetpartijen voor de zuivelindustrie. Naast de Nederlandse zuivelondernemingen richt zich een aantal vooral grotere Europese zuivelondernemingen op de Nederlandse consument. Het aandeel van deze ondernemingen is relatief klein door een groot competitief voordeel van de Nederlandse ondernemingen.
Op de internationale markten, en met name buiten de EU, zijn zuivelgroothandels (intermediairs) belangrijke afzetpartijen. Zuivelondernemingen uit Nieuw-Zeeland en Australië, Noord-Amerika, andere zuivelondernemingen uit Europa en lokale zuivelondernemingen opereren vaak tegelijkertijd in dezelfde landen als de Nederlandse zuivelondernemingen.
Prijsvorming
In de zomermaanden is er een groter aanbod van melk dan in de wintermaanden. Met toeslagen en heffingen worden boeren aangemoedigd om meer in de winter te leveren. De omvang van de productie is tot april 2015 beperkt geweest door de quotering in het kader van het EU-zuivelbeleid. Per 1 april 2015 zijn de quota komen te vervallen. De prijsondersteuning vanuit het Europees landbouwbeleid is al eerder grotendeels vervangen door directe betalingen.
De prijs die de melkveehouder voor melk ontvangt bestaat uit een aantal componenten. In het geval van FrieslandCampina is het een garantieprijs, de jaarlijkse prestatietoeslag en de uitgifte van ledenobligaties-vast. Melkveehouders die niet aangesloten zijn bij een coöperatie, leveren melk op basis van contracten met de particuliere zuivelindustrie. Vaak wordt de melkprijs van de coöperaties gebruikt als een referentie. Het resultaat van de Nederlandse zuivelondernemingen is afhankelijk van hun prestatie op de binnenlandse en buitenlandse markten. Prijsontwikkelingen in binnen- en buitenland sluiten niet altijd op elkaar aan door verschillen in marktdynamiek. Verschillen in kwaliteit, duurzaamheidseisen en in soorten gevraagde zuivelproducten in binnen- en buitenland spelen hierbij een belangrijke rol.
De voorwaarden en prijzen van zuivelproducten in Nederland komen tot stand via bilaterale contractonderhandelingen tussen zuivelondernemingen en (Nederlandse) supermarkten.
|