Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Themes > Arbeid
     
Arbeid
Select an indicator
Onbetaalde en betaalde aje - Land- en tuinbouw

Arbeidsvolume primaire land- en tuinbouw gestegen
11/25/2020

Het totale arbeidsvolume in de primaire land- en tuinbouw is in 2019 opnieuw gestegen, met 1,9% tot ruim 156.000 arbeidsjaareenheden (aje, een maat voor aantal voltijdbanen). Dat is het gevolg van een beperkte daling van het aantal bedrijven en een toename van de arbeidsbezetting per bedrijf. Het aandeel van de gezinsarbeid is tussen 2000 en 2019 gedaald van 66% naar 54%. Het belang van de gezinsarbeid loopt sterk uiteen tussen de sectoren: van 10% op de glastuinbouwbedrijven tot bijna 90% op de melkveebedrijven.

Opnieuw toename arbeidsvolume
Het arbeidsvolume is een maat voor de werkgelegenheid, uitgedrukt in voltijdbanen. Hiervoor wordt binnen de land- en tuinbouw de term arbeidsjaareenheid (aje) gebruikt. Een arbeidskracht die 2.000 uur of meer werkt, wordt gezien als 1 aje. In dit kengetal is (een deel van de) flexibele arbeid opgenomen, het totaal aan flexibele arbeid is lastig vast te stellen omdat de inzet is beperkt tot piekperioden en er geen sprake is van jaarrondbanen. Het totale arbeidsvolume – uitgedrukt in arbeidsjaareenheden (aje) – in de land- en tuinbouw is 2019 met 1,9% toegenomen tot 156.300 aje (figuur en tabel). Ook in 2018 steeg het volume (1,7%). De verklaring hiervoor is een combinatie van een beperkte daling van het aantal bedrijven met een hogere arbeidsbezetting per bedrijf. Over een langere periode is de werkgelegenheid gedaald, gemiddeld 2% per jaar tussen 2000 en 2017.
 

De arbeidsinzet door het gezin was in 2019 met 85.100 aje vrijwel gelijk aan die in 2018; van buiten het gezin nam de inzet met ruim 4% toe tot 71.200 aje. Over een langere periode is het aandeel van de gezinsarbeid afgenomen (tussen 2000 en 2019 van 66% naar 54%, zie tabel), en die van arbeid van buiten het gezin (46% in 2019) toe. Dat geldt overigens alleen voor het volume van de niet-regelmatige arbeid, waarvan het aandeel op het totaal arbeidsvolume is toegenomen van 7% in 2000 tot 19% in 2019. Het aandeel van het arbeidsvolume van personeel met een vast contract is al die tijd vrij stabiel gebleven rond een kwart.

Meeste werkgelegenheid in glastuinbouw en melkveehouderij
Bijna de helft van de werkgelegenheid (op basis van het arbeidsvolume in aje) is geconcentreerd op de glastuinbouw- en melkveebedrijven (tabel). De samenstelling verschilt echter sterk: in de melkveehouderij heeft het gezin veruit de grootste inbreng (88% in 2019), terwijl dat in de glastuinbouw geldt voor vast en los personeel (90% in 2019). De vermindering van het aantal bedrijven in combinatie met een sterke schaalvergroting in de tuinbouw - vooral de glastuinbouw - heeft gezorgd voor een verschuiving van gezinsarbeid naar personeel van buiten het gezin. Van het personeel buiten het gezin werkt nu 76% op tuinbouwbedrijven (glastuinbouw- en opengrondstuinbouwbedrijven). De bedrijven in de meer grondgebonden sectoren steunen nog altijd voor het overgrote deel op de inzet van het gezin.

Werkgelegenheid op land- en tuinbouwbedrijven naar bedrijfstype, 2000 en 2019
BedrijfstypeAantal aje a Aandeel (%) gezinAje per bedrijf
200020192000201920002019
Glastuinbouw52,69340,6632810615.1
Opengrondstuinbouw33,98827,25047343.24.8
Akkerbouw19,37417,26281791.31.6
Melkveehouderij45,81034,646938822.3
Overige graasdierhouderij22,80115,44885821.11.5
Intensieve veehouderij22,16413,69279681.82.4
Gecombineerd 15,2987,342857422.3
Alle212,129156,30466542.22.9
a Arbeidsjaareenheid
Bron: CBS-Landbouwtelling; bewerking: Wageningen Economic Research.


Arbeidsbezetting neemt heel geleidelijk toe
De benodigde arbeid per bedrijf neemt enerzijds toe door de groei van de bedrijfsomvang en daalt anderzijds door toename van de arbeidsproductiviteit. Het eerste effect is iets groter waardoor over een langere periode bezien de gemiddelde arbeidsbezetting per bedrijf is gestegen, van 2,18 aje in 2000 tot 2,94 aje per bedrijf in 2019 (figuur en tabel), een gemiddelde jaarlijkse groei van 1,6%. In 2016 vond een sprong plaats (van 2,45 naar 2,75 aje per bedrijf) door een verandering in de registratie van bedrijven, waardoor een groot aantal zeer kleine bedrijven met weinig arbeidskrachten wegviel. Tussen 2000 en 2015 nam de arbeidsbezetting toe met gemiddeld 0,8% per jaar, in tussen 2016-2019 met 2,2% per jaar.

Tussen de sectoren loopt de arbeidsbezetting in 2019 uiteen van 1,5 à 1,6 aje per bedrijf op de akkerbouw- en overige graasdierbedrijven, 2,3 aje op de melkveebedrijven, tot 15,1 aje per bedrijf op de glastuinbouwbedrijven. In de laatste sector is de arbeidsbezetting vanaf 2000 met een factor 2,5 gestegen (tabel).

Toename niet-gezinsarbeidskrachten
Een andere wijze van berekening van de werkgelegenheid gaat uit van het aantal arbeidskrachten, waarbij niet wordt gekeken naar de inzet in arbeidsuren. Van de regelmatig werkzame (vaste) arbeidskrachten behoren anno 2019 bijna 123.000 tot het gezin (bedrijfshoofden, echtgenoten en meewerkende familie), ofwel 68% tegen 71% in 2016. Het aantal niet-gezinsarbeidskrachten (verder ook aangeduid met personeel) is in 2019 met 7,2% gestegen tot bijna 58.000. In deze cijfers zijn de flexibele arbeidskrachten (uitzendkrachten en personeel met tijdelijke contracten) niet opgenomen. Evenals voor het arbeidsvolume geldt dat het aantal flexibele arbeidskrachten - ook bij benadering - lastig is vast te stellen. De vaste arbeidskrachten hebben meestal volledige jaarrondbanen, terwijl de inzet van flexibele arbeidskrachten met name in de opengrondsectoren beperkt is tot de piekperioden. In de oogst-/piekperioden kunnen grote aantallen mensen aan het werk zijn, maar slechts voor (hele) korte perioden.





Kies een sector
Contactpersoon
Martien Voskuilen
070 3358328
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



Top of page