Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Thema's > Handel en afzet
     
Handel en afzet
Kies een indicator
Handel in agrarische goederen - Handel in dierlijke mest en kunstmest, 2024

Handel in dierlijke mest en kunstmest – verschillende markten voor dezelfde nutriënten
4-3-2024

Onderstaande tekst is een weergave van hoofdstuk 8 uit de uitgave "De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband, editie 2024". Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Economic Research en het Centraal Bureau voor de Statistiek in opdracht van en gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Dit rapport beschrijft de ontwikkeling van de Nederlandse handel in landbouwproducten in 2023. Wageningen Economic Research en CBS maken in deze gezamenlijke uitgave, in opdracht van het ministerie van LNV, de eerste ramingen van de landbouwhandelscijfers voor 2023 bekend en voorzien deze van duiding. Naast inzicht in de export- en importcijfers, voor zowel landbouwgoederen als landbouwgerelateerde goederen, bevat de publicatie verschillende katernen waarin een handelsonderwerp uitgelicht wordt. Voor deze editie zijn de onderwerpen;

-Landbouwhandel in oorlogstijd: Nederlandse handel met Oekraïne en Rusland
-De voetafdruk van de invoer van Nederlandse agrarische goederen
-Handel in dierlijke mest en kunstmest – verschillende markten voor dezelfde nutriënten
-Bedekte teelten: meer variatie in gewassen, constructies en bouwlocaties

Al deze onderwerpen zijn apart te lezen op agrimatie. Rechts in het oranje vlak kunt u de verschillende hoofdstukken nalezen. Hier staan ook onderwerpen die in eerdere jaren aan bod zijn gekomen. Het verdient de voorkeur om het totale rapport te downloaden.

Het onderstaande artikel geeft onderdelen van hoofdstuk 8 weer. U kunt hier het totale rapport downloaden.


8.1 Inleiding
Nederland is een grote producent van nutriënten, zowel in de vorm van dierlijke mest als in de vorm van kunstmest. Zo produceert de Nederlands veehouderij meer mest dan er geplaatst kan worden op Nederlandse landbouwgrond en heeft Nederland na Duitsland de grootste kunstmestindustrie van Europa. Er worden ruim meer nutriënten geproduceerd dan er in Nederland kunnen worden aangewend. Handel en export is dan ook voor de hand liggend – dat geldt zowel voor dierlijke mest als voor kunstmest. Wel zijn er een aantal belangrijke verschillen tussen de markten van de twee mestsoorten. Zo vindt de handel van dierlijke mest vooral plaats binnen Nederland en kent dierlijke mest een negatieve prijs. Dit houdt in dat de afnemer van dierlijke mest – dat zijn vaak de akkerbouwbedrijven – geld krijgt en de leverancier moet betalen. De in Nederland geproduceerde kunstmest daarentegen gaat voor een groot deel de grens over. De prijs voor kunstmest wordt gevormd op de internationale markt en is sterk gerelateerd aan de gasprijs. In dit katern wordt een aantal zaken en bijzonderheden rond de (internationale) handel van dierlijke mest en kunstmest nader toegelicht.

Het draait om de nutriënten
Bij de onderwerpen mest en bemesting draait alles om de meest belangrijk macro-elementen voor plantengroei en gewasteelt. Dat zijn de nutriënten stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K), waarbij fosfor en kalium in de oxidevorm, fosfaat (P2O5) en kali (K2O), worden gehanteerd. Als we het hebben over markten en handel in mest, gaat het in feite om de markten en handel in de individuele nutriënten. Deze hebben ieder hun eigen werking en invloed op de handel, ingegeven door beleid, nutriënt-specifieke eigenschappen of door andere (externe) factoren. Zo zijn er bij de productie van kunstmest verschillen in de herkomst van de nutriënten. Fosfaat en kali worden gewonnen in mijnen en zijn als grondstoffen eindig. Met name de fosfaatvoorraden worden schaars. Het herwinnen van fosfaat uit bijvoorbeeld afvalwater of andere reststromen krijgt daarom ook steeds meer aandacht. Voor de productie van stikstofkunstmest wordt middels het Haber-Boschproces stikstof uit de lucht gehaald en met behulp van aardgas omgezet in ammonium. De stikstof zelf is dus niet eindig, wel vormen de grote hoeveelheden aardgas die nodig zijn voor de productie van ammonium een even grote of zelfs grotere uitdaging dan de eindigheid van de fosfaat- en kalimijnen. Ook bij het onderwerp overschot van dierlijke mest is het van belang om te kijken naar het overschot van de individuele nutriënten. Zo is er beleid dat specifiek is gericht op fosfaat, zoals de fosfaatrechten, en beleid dat focust op stikstof, waarvan de derogatieregeling de belangrijkste is. In de paragraaf over de export en import van dierlijke mest komt het belang van focus op de individuele nutriënten verder naar voren.

8.2 Export en import van dierlijke mest en mestproducten
Zoals hierboven genoemd, vindt het grootste deel van de handel in dierlijke mest plaats binnen de Nederlandse landbouw. Door het mestoverschot is het echter noodzakelijk dat nutriënten aan de landbouw worden onttrokken en elders een bestemming vinden. De meeste recente cijfers van het CBS over de bestemming van dierlijke mest, uitgedrukt in stikstof en fosfaat, zijn uit 2021.

Aanwending stikstof en fosfaat binnen plaatsingsruimte
De stikstofexcretie door de Nederlandse veehouderij lag in 2021 op ruim 470 miljoen kg. Na aftrek van gasvormige verliezen uit stal en opslag, en door afvoer via spuiwater uit luchtwassers blijft er in Nederlandse mest circa 400 miljoen kg stikstof over. De plaatsingsruimte voor stikstof bedroeg in 2021 375 miljoen kg N. Er is dus meer dierlijke mest in Nederland aanwezig dan dat er geplaatst kan worden. Minimaal 25 miljoen kg stikstof moet een toepassing vinden buiten de Nederlandse landbouw. De export van mest is de meest belangrijke toepassing hiervan.
Van de 400 miljoen kg stikstof wordt ruim 80%, circa 330 kg, aangewend op landbouwgrond in Nederland. Dit past binnen de beschikbare plaatsingsruimte voor stikstof in 2021. De resterende 20% verlaat de Nederlandse landbouw. Meer dan de helft hiervan, bijna 40 miljoen kg N, wordt geëxporteerd en een kwart gaat naar mestverwerking (zie figuur 8.1). De producten uit de mestverwerking, zoals mestkorrels en as uit verbranding, worden voor het grootste deel ook geëxporteerd (zie ook kader over toelichting mestverwerking).

De fosfaatexcretie door de Nederlandse veehouderij bedroeg in 2021 148 mln. kg. Ook in het geval van fosfaat is de excretie hoger dan de plaatsingsruimte. Die bedroeg in 2021 139 miljoen kg P2O5. Van de totale excretie werd driekwart, ruim 100 miljoen kg, uitgereden op Nederlandse landbouwgrond, minder dan de beschikbare plaatsingsruimte. Van het resterende kwart, ruim 35 mln. kg P2O5, wordt meer dan 70% geëxporteerd. Bijna 20% gaat naar mestverwerking, waar de mest verwerkt wordt tot mestproducten die voor een groot deel ook worden geëxporteerd. Zowel bij stikstof als fosfaat gaat slechts een klein aandeel naar hobbybedrijven en particulieren en naar natuurterreinen (zie figuur 8.1).




Fosfaat heeft nu nog leidende rol
Figuur 8.1 laat zien dat er in absolute getallen meer stikstof dan fosfaat wordt geëxporteerd, 39,1 miljoen kg stikstof tegenover 26,4 miljoen kg fosfaat. In verhouding wordt er echter meer fosfaat geëxporteerd dan stikstof, 18% fosfaat tegenover 10% stikstof. Het grootste deel van de export bestaat momenteel uit de fosfaatrijke dikke fractie die ontstaat na mestscheiding. Het fosfaatoverschot was doorslaggevend voor de invoering van de mestverwerkingsplicht voor Nederlandse veehouders in 2014. Stikstof kan met het geldende derogatiebeleid grotendeels in Nederland worden geplaatst, en het deel dat niet kan worden geplaatst lift vooralsnog mee met de export van fosfaat. Derogatie maakt het Nederlandse veehouders mogelijk om onder bepaalde voorwaarden meer stikstof per hectare uitbrengen dan de in Europa geldende norm van 170 kg N per ha. Met de afbouw van derogatie in de komende jaren en de volledige afschaffing ervan in 2026, zal er op korte termijn een fors mestoverschot ontstaan. Stikstof zal dan de beperkende factor worden, omdat alle veehouders vanaf 2026 moeten voldoen aan 170 kg N per ha. Zo voorspelt het Nederlands Centrum Mestverwaarding (NCM) een vervijfvoudiging van het nationaal mestoverschot uitgedrukt in stikstof in dat jaar (NCM, 2024). Reden hiervoor is niet alleen de afbouw van de derogatie, maar ook maatregelen als de invoering van bufferstroken langs waterlopen en de versnelde afbouw van derogatie in met nutriënten verontreinigde gebieden. De mestverwerkingsplicht en daarmee samenhangende export van dierlijke mest ziet toe op fosfaat. In de komende jaren zal afzet van stikstof in dierlijke mest meer een probleem worden.

Meer mest naar Frankrijk, minder naar Duitsland
In totaal toont de export van dierlijke mest sinds 2016 een dalende trend (figuur 8.2). Met name de export naar Duitsland en België is sinds 2018 sterk afgenomen. Zo is in Duitsland het mestbeleid (‘Düngeverordnung’) aangescherpt, waardoor er steeds minder, efficiënter en nauwkeuriger wordt bemest (Landwirtschaftskammer Nordrhein-Westfalen, 2021). De export van mest naar Frankrijk is daarentegen sterk toegenomen. Het gaat hierbij vooral om gehygiëniseerde varkens- en pluimveemest, de dikke fractie die ontstaat na mestscheiding (RVO, 2023a).




Mengmest koploper bij export
Op basis van gegevens van RVO is in 2022 65% van de geëxporteerde mestgetypeerd als mengmest (zie figuur 8.3). Volgens de definitie van RVO kan mengmest een mengsel zijn van verschillende soorten dierlijke mest, bijvoorbeeld van varkensmest en rundermest, maar ook van dierlijke mest en andere mestsoorten, zoals kalkmeststoffen of organische meststoffen van plantaardige oorsprong (RVO, 2022). Bij mengmest voor de export gaat het alleen om mengsels van verschillende soorten dierlijke mest. De mesttransporteurs halen de mest bij verschillende veebedrijven op, vermengen en verwerken deze vervolgens in een dikke en een dunne fractie. Vooral de dikke, fosfaatrijke fractie vindt de weg over de grens naar de omringende landen. Het andere deel van de export bestaat voor ongeveer even grote delen uit pluimvee- en varkensmest. Pure rundermest, die niet is verwerkt in een mengmest, wordt nagenoeg volledig aangewend op binnenlandse akkers.




Meer import van stikstof via mest dan van fosfaat
Ondanks het overschot aan dierlijke mest in Nederland vindt er ook import plaats vanuit andere EU-landen. In verhouding is dat wel veel minder dan de export. In termen van kg fosfaat is de import rond de 7% van de hoeveelheid fosfaat die wordt geëxporteerd. Bij stikstof lag dat percentage in 2022 op 14%; dat is een lichte stijging ten opzichte van eerdere jaren. In totaal blijft de import van stikstof en fosfaat via mest vrij stabiel schommelen tussen 4 en 5 miljoen kg stikstof respectievelijk 2 en 3 miljoen kg fosfaat (zie figuur 8.4).




Qua aantallen transporten en tonnen bestaat het grootste deel van de mestimport uit paardenmest voor de productie van champost, het substraat voor de champignonteelt (CBS, 2023a). Kijkend naar stikstof en fosfaat komen de meeste kilogrammen echter via pluimveemest Nederland binnen (RVO, 2023a). Dit ligt aan het hoge drogestofgehalte van pluimveemest, waardoor nutriënten veel geconcentreerder zijn. Importmest komt grotendeels uit de omringende landen.

Bij champost moet worden opgemerkt dat een deel hiervan na de champignonteelt als organische meststof terechtkomt op Nederlandse akkers. Akkerbouwers hebben bij de bemesting met champost het voordeel dat maar 75% van de hoeveelheid fosfaat meetelt in de berekening van de fosfaatgebruiknorm (RVO, 2023b).

Mestverwerking • Verwerkte mest • Niet-verwerkte mest
Mestverwerking, verwerkte mest, niet-verwerkte mest – het zijn begrippen binnen het mestbeleid die nadere toelichting behoeven. Zo komt verwerkte mest niet per definitie uit mestverwerking en kan niet-verwerkte mest wel binnen de definitie mestverwerking vallen.
Stelsel van verplichte mestverwerking
Sinds 1 januari 2014 hebben Nederlandse veehouders te maken met het stelsel van verplichte mestverwerking. Veehouders met een bedrijfsoverschot aan mest moeten dit overschot voor een deel verplicht verwerken. Het doel van dit beleid is om door onttrekking van mest uit de Nederlandse landbouw de mestmarkt weer meer in evenwicht te brengen.
Wat valt onder mestverwerking?
Volgens de Meststoffenwet is mestverwerking de behandeling van dierlijke mest tot een eindproduct. Het uitgangspunt van mestverwerking is dat de eindproducten niet in de Nederlandse landbouw worden gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn as uit mestverbranding met maximaal 10% organische stof of mestkorrels met een drogestofgehalte van minimaal 90%. Het exporteren van niet-bewerkte dierlijke mest valt ook onder de definitie van mestverwerking.
Bij mestverbranding gaat het om de energiecentrale BMC Moerdijk, waar pluimveemest wordt verwerkt in groene stroom en een fosfaat-kaliummeststof. Deze meststof wordt vooral afgezet in het buitenland. Mestkorrels vinden hun bestemming ook voor een groot deel op de internationale markt. Daarnaast gaat een klein deel via bijvoorbeeld tuincentra naar de particuliere eindverbruiker in Nederland.
Wat is verwerkte mest?
Mest mag ‘verwerkte mest’ worden genoemd als deze is gehygiëniseerd in een erkende biogas- of composteerinstallatie of in een erkend bedrijf voor de productie van organische meststoffen en bodemverbeteraars. De mest moet zijn gepasteuriseerd (60 minuten verhitting tot minstens 70°C) of op een andere manier thermisch of chemisch zijn behandeld om ziekteverwekkers te doden.
Wat is niet-verwerkte mest?
Niet-verwerkte mest is mest die geen thermische of chemische behandeling heeft ondergaan. Dat kan ook de dikke en dunne fractie zijn na mechanische mestscheiding of digestaat uit een mesofiele (20-45°C) vergistingsinstallatie. Dikke fractie is niet-verwerkte mest die in het kader van de verplichte mestverwerking geëxporteerd wordt naar het buitenland. De export van niet-verwerkte dierlijke mest is alleen mogelijk binnen de EU. Voor het transport van deze mest over de grens is een aantal documenten vereist, zoals een veterinaire toestemming van het importerende land, een gezondheidsverklaring en bepaalde handels- en exportdocumenten.
Bron: NVWA (2023)


8.3 Kunstmest: Nederland koploper export in de EU
Nederland hoort samen met Duitsland en België tot de grootste exporteurs van kunstmest in de EU. De grootste kunstmestproducenten in Nederland zijn Yara International, ICL Fertilizers Europe, OCI Nitrogen en Rosier Nederland. Daarnaast kent Nederland een aantal (groot)handelaren en blendbedrijven in kunstmest. Tot 2011 was het exportgewicht van kunstmest uit Nederland vrij stabiel. Zo schommelde het in de periode 1990-2011 tussen de 6 en 7 miljard kilogram. De jaren daarna was de export meer dan 8 miljard kilogram, met uitschieters naar 9,5 miljard kilogram in 2012 en 2016. Na 2020 is het exportgewicht weer teruggezakt naar 7 miljard kilogram in 2022. In Nederland worden met name stikstofkunstmeststoffen geproduceerd, maar ook NPK-meststoffen en mengsels met sporenelementen en andere bodemverbeteraars. De stikstofproductie kon zich in Nederland goed ontwikkelen na de ontdekking van het Gronings gas. Andere grondstoffen voor de kunstmestproductie zoals fosfaat en kalium moeten daarentegen worden geïmporteerd.

De exportwaarde van kunstmest ligt sinds begin jaren negentig tot circa 2005 rond de 1 miljard euro. Daarna steeg de waarde en deze schommelde tot 2020 rond de 2 miljard euro. Als gevolg van prijsstijgingen in 2021 en 2022 nadert de exportwaarde in 2022 de grens van 4 miljard euro (CBS, 2023). Om de Nederlandse export van kunstmest in perspectief te plaatsen: de grootste exporteurs van kunstmest wereldwijd zijn Rusland, Canada en China, met Rusland als absolute koploper. In 2022 bedroeg de Russische exportwaarde bijna 20 miljard euro, vijf keer zoveel als de Nederlandse exportwaarde en circa twee keer zoveel als de export van Nederland, Duitsland en België bij elkaar. Deze bedroeg in dat jaar circa 10 miljard euro (Statista, 2023).

Focus op energietransitie
Een grote uitdaging voor kunstmestproducenten is te voldoen aan de huidige duurzaamheidseisen vanuit de maatschappij. De productie van kunstmest, en dan met name stikstofkunstmest, gaat gepaard met een hoog energieverbruik en dus met een hoge CO2-emissie. De prijs van kunstmest is sterk gerelateerd aan de mondiale gasprijs. Dit werd heel duidelijk na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne begin 2022 en de daaraan gerelateerde onzekerheid van gasleveringen uit Rusland. De toen toch al hoge kunstmestprijs is in die periode binnen enkele maanden verdrievoudigd. Inmiddels (januari 2023) is de prijs weer op het niveau van voor het uitbreken van de oorlog.

Kunstmestproducenten richten zich dan ook met name op de energietransitie en het verlagen van de broeikasgasemissies. Zo hoort de fabriek van Yara International in Sluiskil tot de beste op het gebied van energierendement en kon de broeikasgasemissie sinds de jaren negentig met meer dan de helft gereduceerd worden. Daarnaast experimenteert Yara met CO2-opslag in de Noordzee en energieproductie uit waterstof en andere alternatieve bronnen. Verder ontstaan bij de productie van kunstmest grote hoeveelheden waterstof. Kunstmestproducenten kunnen daarom een belangrijke rol spelen bij de mogelijke transitie naar een waterstofeconomie (Yara, 2022).

Op weg naar een circulaire economie
Naast de energietransitie richt de kunstmestbranche zich op het gebruik van alternatieve en hernieuwbare bronnen voor de nutriënten. Dit geldt zowel voor stikstof, als voor fosfaat en kalium waarvan de voorraden eindig zijn. De brancheorganisatie Meststoffen Nederland heeft hiervoor de visie ‘KunstMest 4.0’ ontwikkeld. In deze visie wordt benadrukt dat kunstmest en organische mest niet tegenover elkaar staan, maar elkaar aanvullen. Aan de basis staat de bemesting met onbewerkte organische mest, aangevuld met hoogwaardige bewerkte meststoffen op maat die niet alleen van minerale, maar ook van organische oorsprong kunnen zijn (Meststoffen Nederland, 2019). Voorbeelden van meststoffen van organische oorsprong met kunstmesteigenschappen zijn de zogenaamde RENURE-meststoffen. RENURE staat voor REcovered Nitrogen from manURE. Het zijn producten die voortkomen uit de processen van mestverwerking, -bewerking en -vergisting. Te denken valt hierbij aan mineralenconcentraat, dunne fractie van digestaat of aan ammoniumsulfaat uit stikstofstrippers. Deze meststoffen van organische oorsprong moeten aan bepaalde eisen omtrent kunstmesteigenschappen voldoen om als RENURE-meststof in aanmerking te komen (Huygens et al., 2020). Vooralsnog is het echter niet mogelijk om RENURE-meststoffen als kunstmest aan te wenden en vallen zij voor de mestwetgeving nog steeds onder dierlijke mest. De beslissing of RENURE-meststoffen als kunstmest mogen worden aangewend ligt bij de Europese Commissie. Tot op heden is hierover nog geen oordeel geveld.

Markt voor meststoffen steeds diverser
Gestimuleerd door de strenger wordende mestwetgeving wordt er steeds efficiënter omgegaan met meststoffen en komen er steeds meer op maat gemaakte meststoffen op de markt. De ontwikkelingen op het gebied van precisiebemesting spelen hierbij een belangrijke rol. Zo telt bijvoorbeeld het Bedrijveninformatienet van Wageningen UR inmiddels meer dan 1.000 verschillende kunstmestproducten. Naast koploper bij de export van kunstmest is Nederland ook toonaangevend als het gaat om de ontwikkeling van kennis, knowhow en innovaties rond bemesting, mestbe- en verwerking, mestproducten en bemestingstechnieken. Het zijn de fysieke producten, die met concrete waardes terug zijn te zien op de handelsbalansen. Daarnaast zijn echter ook de moeilijk te becijferen intellectuele eigendommen die vanuit Nederland hun weg in de wereld vinden van even groot belang voor het imago van Nederland als handelsland.



Kies een sector
Contactpersoon
Petra Berkhout
070 3358103
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



naar boven