Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Thema's > Macro-economie
     
Macro-economie
Kies een indicator
Landbouw in de EU - Land- en tuinbouw

Inkomen per arbeidskracht daalt in EU-27 met gemiddeld -6,4%
5-1-2024

Het reële factorinkomen per arbeidskracht in de Nederlandse landbouw is in 2023 met 2,3% gedaald. Daarmee behoort Nederland, net als vorig jaar, tot de twintig dalers in de EU-27. Van de grotere EU-landen vertoonden Duitsland (-4,4%), Frankrijk (-14,4%) en Polen (-23,1%) een sterkere daling dan Nederland. In Italië (+3,5%) en Spanje (+11,1%) was er juist een toename van het reële factorinkomen per arbeidskracht. Gemiddeld genomen nam het factorinkomen in de 27 lidstaten van de EU in 2023 met 6,5% af.


Het factorinkomen (netto toegevoegde waarde + subsidies - belastingen) per arbeidskracht, gecorrigeerd voor inflatie, wordt door Eurostat gehanteerd om de inkomensontwikkeling in de EU-lidstaten met elkaar te vergelijken. In twintig van de 27 lidstaten daalde deze indicator in 2023. Het betrof dit jaar van de grote lidstaten alleen Duitsland, Frankrijk en Polen. In Spanje en Italië nam de indicator nog wel toe. De waarde van het factorinkomen was in 2023 in Frankrijk, Italië en Spanje ongeveer even hoog (16% van het EU-totaal). Het aandeel van Duitsland en Polen bedroeg respectievelijk zo’n 13% en 7%. Deze vijf grote landen zijn samen goed voor bijna 68% van het totale factorinkomen in de EU-27 en daarmee heel bepalend voor de ontwikkeling van het factorinkomen van EU-27. De sterkste toename van het reële factorinkomen per arbeidskracht was dit jaar in België (+30,4%). Ook in Spanje, Portugal, Hongarije, Italië en Malta was er een toename van de indicator. Alleen in Slovenië bleef de indicator nagenoeg gelijk en in de overige twintig lidstaten daalde de indicator, variërend van ongeveer -2% in Cyprus en Nederland tot -57,9% in Estland.

In de meeste lidstaten van de EU namen de gemiddelde opbrengstprijzen voor plantaardige producten af, met uitzondering van de zuidelijke lidstaten (Spanje, Portugal, Italië en Griekenland). Voor groenten, fruit en olijfolie werden in 2023 in die landen hogere prijzen gerealiseerd. Voor de dierlijke producten is de prijsontwikkeling minder eenduidig. Met name in Ierland, Nederland en de Baltische staten zijn de gemiddelde opbrengstprijzen voor dierlijke producten gedaald. In de meeste landen zijn ook de prijzen voor inputs (energie, kunstmest, veevoer) gedaald of nagenoeg gelijk gebleven. Enige uitzondering zijn Portugal en Cyprus met een gemiddelde prijsstijging voor inputs van rond de 10%.

Van de ons omringende landen valt de zeer sterke toename van het factorinkomen per arbeidskracht in België op. Deze is vooral toe te schrijven aan sterk gedaalde prijzen voor inputs. Aan de opbrengstenkant werden de hogere opbrengstprijzen voor groenten (+15,2%), aardappelen (+16,7%) en varkens (+30,4%) voor een groot deel weer gecompenseerd door fors lagere prijzen voor melk (-20%). Dit resulteerde uiteindelijk in een iets lager opbrengstvolume en zo’n 2% hogere gemiddelde opbrengstprijzen. De totale inputs daalden echter onder invloed van met name lagere prijzen voor energie, kunstmest en veevoer met 8,5%. Dit resulteerde voor België in een toename van het factor inkomen met zo’n 36%. In Duitsland was er, net als in Nederland, nog een bescheiden toename van het factorinkomen (+1,5%). Ook in Duitsland werden de gemiddeld hogere prijzen voor plantaardige producten gecompenseerd door lagere prijzen voor dierlijke producten; daarbij daalden de prijzen voor inputs minder sterk dan in België. In Duitsland worden fors lagere opbrengstprijzen geraamd voor granen (-31,6%) en oliezaden (37,3%) terwijl voedergewassen (+33,4%), groenten (+28,6%) en aardappelen (+53,2%) sterk in prijs stegen. Aan de inputkant waren er in Duitsland nog wel lagere prijzen voor energie, kunstmest en veevoer. In Frankrijk werd net als in Nederland wel een lager factorinkomen geraamd. Hier daalde, anders dan in Nederland, Duitsland en België, de gemiddelde opbrengstprijs en steeg de gemiddelde inputprijs. De gemiddelde opbrengstprijs daalde in Frankrijk onder invloed van lage prijzen voor graan, oliezaden en wijn. Voor alle dierlijke producten werden in Frankrijk wel hogere opbrengstprijzen gerealiseerd. Het factorinkomen in Frankrijk daalt wel met 10% omdat naast de dalende gemiddelde opbrengstprijzen, de prijzen voor inputs juist toenamen. Het factorinkomen per arbeidskracht, gecorrigeerd voor inflatie, daalde in zowel Nederland, Duitsland als Frankrijk. Van de grotere EU-lidstaten werd alleen in Italië een hoger factorinkomen per arbeidskracht geraamd. Het totale productievolume daalde met een bijna gelijk percentage als het volume van de inputs. De gemiddelde outputprijs steeg echter sterker dan de gemiddelde prijs van de inputs. Hierdoor nam het factorinkomen in Italië met 4% toe. In Italië werden, in tegenstelling tot Nederland en Duitsland, hogere prijzen geraamd voor melk. Ook waren er hogere prijzen voor varkens (+26,6%), rundvee (+8,4%) en eieren (+22,6%). Bij de plantaardige producten steeg de prijs in Italië sterk voor olijfolie (+22,9%), groenten (+8,1%) en fruit (+9,4%).

Het beeld in de Zuid-Europese landen (Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal en Griekenland) is verdeeld. Italië, Portugal en Spanje ramen een stijging van het reële factorinkomen per arbeidskracht met respectievelijk 3,5%, 8,9% en 11,1%. In Frankrijk en Griekenland daalde het reële factorinkomen per arbeidskracht. Voor deze Zuid-Europese landen zijn de volume- en prijsontwikkeling van wijn, olijfolie en fruit van groot belang. In vrijwel alle zuidelijke lidstaten stegen de prijzen voor groenten en fruit rond de 10%. De opbrengstprijs voor olijfolie steeg in Spanje, Griekenland en Portugal tot wel 70%. Ook voor citrusfruit werden, met uitzondering van Frankrijk, in alle overige Zuid-Europese landen fors hogere prijzen gerealiseerd variërend van +2,7% in Griekenland tot +15,2% in Italië, +39,7% in Portugal en +46,1% in Spanje. In vrijwel alle wijnproducerende landen, met uitzondering van Frankrijk (-1,4%) en Italië (-4,4%), werden hogere prijzen voor wijn gerealiseerd.

Nederland kent, met de in productiewaarde gemeten grote omvang van de glastuinbouwsector (groenten, planten en bloemen), een soortgelijke uitzonderingspositie. Als gevolg van de hoge energieprijzen heeft een deel van de glastuinders besloten om tijdelijk niet te produceren. Hierdoor zijn er voor Nederland gemiddeld genomen lagere volumes (-4,5%) en hogere prijzen (+6,5%) voor de glastuinbouwproducten geraamd. Dit heeft er voor een belangrijk deel aan bijgedragen dat de totale plantaardige productiewaarde voor Nederland, ondanks de sterk gedaalde prijzen voor granen en oliezaden, in 2023 toch zo’n 700 miljoen euro (+4,1%) hoger uitkomt dan in 2022. De kosten van het intermediair verbruik van productiemiddelen daalde in 18 van de 27 EU-lidstaten, vooral doordat de extreem hoge prijzen voor energie, kunstmest en veevoer van vorig jaar in 2023 sterk zijn gedaald.




In de EU-27 is het volume van de totale agrarische productie in 2023 met 1% afgenomen. Zowel de plantaardige productie (-0,7%), als de dierlijke productie (-1,5%) daalde.

De afname van de productie in de akkerbouw- en tuinbouwsector deed zich in de EU-27 in 2023 voor bij vrijwel alle belangrijke productgroepen met uitzondering van aardappelen (+3,6%), oliezaden (+4,2%), voedergewassen (+5,1%) en suikerbieten (+6,5%). De daling van de EU-productie was het sterkst bij olijfolie (-38,5%), fruit (-4,8%) en olijven (-7,7%). De productie van suikerbieten steeg, na vier jaren op rij te zijn gedaald. In 2023 wordt voor plantaardige producten, naast een lagere gemiddelde productie ook een lagere gemiddelde prijs geraamd (3,8%). Deze afname van de gemiddelde prijzen in de totale EU-27 wordt vooral veroorzaakt door de sterk gedaalde prijzen voor graan en oliezaden. Voor vrijwel alle andere gewassen, maar met name voor olijfolie (+52,2%), olijven (+25,8%), groenten (+11,6%), fruit (+12,5%), suikerbieten (+10,2%) en aardappelen (+18,9%), waren er gemiddeld hogere prijzen in 2023. De meeste van deze producten waren in 2022 ook al sterk in prijs gestegen.

De dierlijke productie in de EU-27 daalde, net als vorig jaar, licht (-1,5%). Deze daling doet zich voor bij de meeste belangrijke producten. Alleen de productie van paarden, pluimvee en melk nam in 2023 nog iets toe. De gemiddelde prijs voor dierlijke producten steeg, net als bij de plantaardige producten, met gemiddeld +5,5%. Koeien, varkens en pluimvee werden gemiddeld respectievelijk +3,5%, +22% en +3,7% duurder. Ook voor eieren (+23,6%) werden hogere prijzen gerealiseerd. Alleen de prijs van melk vertoonde een daling (-4,9%) ten opzichte van vorig jaar. In heel Europa hebben aanbod- en vraagfactoren geleid tot deze fors hogere prijzen. Het beperkte aanbod van de dierlijke productie heeft geleid tot hogere prijzen. Hoewel de productiekosten voor veevoer en energie in 2023 zijn gedaald, heeft dit nog niet direct geleid tot lagere opbrengstprijzen omdat die kosten ook dit jaar nog op een hoog niveau liggen en worden doorberekend aan de afnemers van dierlijke producten. Daarnaast was er ook nog steeds krapte op de markt als gevolg van de EU-brede vogelgriepuitbraak en de nog steeds doorwerkende varkenspestuitbraken in diverse lidstaten.

De hoeveelheid aangekochte goederen en diensten nam in 2023 met 0,5% af. Daarnaast daalden ook de prijzen gemiddeld met bijna 1%. De prijzen voor energie, kunstmest en aangekocht veevoer daalden het sterkst met respectievelijk -5,9%, -16,3% en -3%. De kosten voor zaaizaad en pootgoed (+8,1%), gewasbescherming (+8,5%) en onderhoud gebouwen en machines (+8%) liepen daarentegen opnieuw in prijs op. Doordat het volume van de output en het volume van de kosten in nagenoeg gelijke mate daalden, bleef de productiviteit gelijk. De ruilvoet verbeterde wel doordat de gemiddelde kostprijs (-0,9%) daalde en de gemiddelde opbrengstprijs (+0,5%) steeg.

De bruto toegevoegde waarde van de landbouw in de totale EU-27 is door de hier beschreven ontwikkelingen met bijna 1% toegenomen. De hogere afschrijvingen en belastingen en de lagere subsidies zorgden voor een daling van het gemiddelde factorinkomen in de EU-27 met 2,1%. Door de inflatiecorrectie en een gedaald arbeidsvolume (-1,5%) daalt het reële factorinkomen per arbeidskracht in de EU-27 per saldo met 6,5%.





Kies een sector
Contactpersoon
David Verhoog
070-3358180
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties
7107262/5-15122015-BP-EN.pdf/ed3d0366-88e8-4187-ab6d-0a33d14b2d0f
ed3d0366-88e8-4187-ab6d-0a33d14b2d0f


 



Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



naar boven