Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Themes > Macro-economie
     
Macro-economie
Select an indicator
Landbouw in de EU - Land- en tuinbouw

Inkomen per arbeidskracht stijgt in EU-27 met gemiddeld 0,7%
12/21/2021

Het reële factorinkomen per arbeidskracht in de Nederlandse landbouw is in 2021 met 2,6% gedaald. Daarmee behoort Nederland tot de dertien dalers in de EU-27. Van de grotere EU-landen vertoonden met name Spanje (-6%), Duitsland (-5,3%) en Polen (-4,5%) een sterkere daling dan Nederland. In Italië (-1,7%) was de afname minder groot dan in Nederland, terwijl Frankrijk (+16,3%) een sterke stijging liet zien. De sterkste stijging deed zich voor in Bulgarije (+32,9%). Gemiddeld genomen nam het factorinkomen in de 27 lidstaten van de EU in 2021 met 0,7% toe.


Het factorinkomen (netto toegevoegde waarde + subsidies - belastingen) per arbeidskracht, gecorrigeerd voor inflatie, wordt door Eurostat gehanteerd om de inkomensontwikkeling in de EU-lidstaten met elkaar te vergelijken. In dertien van de 27 lidstaten steeg de indicator in 2021. Het betrof, naast Frankrijk, vooral de kleinere lidstaten. De waarde van het factorinkomen in Frankrijk was de hoogste van alle lidstaten en vertegenwoordigde 18,4% van het EU-totaal. In Estland bleef de indicator gelijk en in de overige dertien lidstaten daalde de indicator, variërend van -1,3% in Kroatië tot -37% in Denemarken.

De sterke toename van het factorinkomen per arbeidskracht in zowel Bulgarije als Frankrijk is toe te schrijven aan fors hogere gewasopbrengsten en prijzen voor granen en oliezaden. In Frankrijk waren er wel lagere volumes bij vers fruit (-12%) en vooral wijn (-22,5%). Wel realiseerde Frankrijk hogere prijzen voor fruit en wijn. Dit is echter onvoldoende om de afname in de productie te compenseren. De zeer sterke daling van het factorinkomen per arbeidskracht in Denemarken (-37%) is vrijwel volledig veroorzaakt door bijna 15% lagere prijzen voor varkens. Daarnaast stegen de gemiddelde inputprijzen voor met name energie en veevoer sterk, terwijl de gemiddelde outputprijzen daalden.

In België en Duitsland deden zich vergelijkbare ontwikkelingen voor als in Nederland. Beide landen laten een nog sterkere afname van het factorinkomen zien met respectievelijk 10,1% en 5,3%. In Duitsland, België en Nederland stegen de gemiddelde outputprijzen minder sterker dan de inputprijzen. Zo waren er vooral lagere prijzen voor varkens en hogere prijzen voor energie, kunstmest en veevoer. De daling van het factorinkomen in Nederland is minder sterk dan in België en Duitsland omdat er wel hogere prijzen in de voor Nederland relatief belangrijke sierteeltsector werden gerealiseerd.

Het beeld in de Zuid-Europese landen (Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal en Griekenland) is verdeeld. Frankrijk en Portugal laten een forse stijging zien terwijl er in Italië, Griekenland en met name Spanje een daling is van het factorinkomen per arbeidskracht. Voor de meeste van deze landen, met uitzondering van Portugal, komt dit door een lagere productie van fruit, druiven, olijven, wijn en olijfolie. De daling is te wijten aan vorst in de lente en langdurige hitte en gebrek aan regen in de zomer. Prijzen voor olijfolie en wijn waren wel hoger in de meeste landen. In enkele lidstaten heeft wijn een zeer belangrijk aandeel in de totale opbrengstwaarde van de plantaardige productie.

Nederland kent, met de in productiewaarde gemeten grote omvang van de glastuinbouwsector (groenten, planten en bloemen), een soortgelijke uitzonderingspositie. Voor 2021 zijn voor Nederland gemiddeld genomen hogere volumes en hogere prijzen voor de glastuinbouwproducten geraamd. Dit heeft er voor een belangrijk deel aan bijgedragen dat de totale plantaardige productiewaarde voor Nederland in 2021 zo’n 1,5 miljard euro hoger uitkomt dan in 2020. De kosten van het intermediair verbruik van productiemiddelen steeg in vrijwel alle landen fors, vooral door hogere prijzen voor energie, kunstmest en veevoer.



In de EU-27 is het volume van de totale agrarische productie in 2021 met 0,3% afgenomen. Zowel de plantaardige productie (-0,6%), als de dierlijke productie (-0,3%) daalde.

De afname van de productie in de akkerbouw- en tuinbouwsector deed zich in de EU-27 in 2021 voor bij vrijwel alle belangrijke productgroepen met uitzondering van olijfolie (+14%), granen (+5%) en oliehoudende zaden (+7%). De productie van olijfolie herstelde daarmee enigszins van de zeer forse daling (-24%) in 2020. De productie van suikerbieten en vers fruit daalde voor het derde jaar op rij. Als gevolg van de lagere plantaardige productie werden in 2021 wel gemiddeld bijna 11% hogere prijzen dan in 2020 genoteerd. Deze toename van de gemiddelde prijzen in de totale EU-27 geldt voor vrijwel alle gewassen, maar met name voor granen (+26%), oliehoudende zaden (+35%), sierteeltproducten (+8%), druiven (+11%) en olijfolie (+28%).

De dierlijke productie in de EU-27 daalde licht (-0,3%). Deze daling doet zich voor bij de meeste belangrijke producten. Alleen de productie van varkens, schapen en paarden nam in 2021 toe. De gemiddelde prijs voor dierlijke producten steeg met 2,5%. Voor melk en pluimvee werden respectievelijk 6% en 6,5% hogere prijzen gerealiseerd. Deze twee producten dragen samen voor bijna 50% bij aan de totale dierlijke productiewaarde in de EU-27. Alleen bij varkens daalden de prijzen sterk (-7,5%). In heel Europa hebben aanbod- en vraagfactoren geleid tot deze lagere prijzen. Enerzijds zijn dit de verschillende lockdownmaatregelen en een vermindering van de slachtcapaciteit als gevolg van tekort aan personeel. Anderzijds blijft de Afrikaanse varkenspest de Europese export naar Azië belemmeren en speelt de zich snel herstellende varkensproductie in China zelf een rol.

De hoeveelheid aangekochte goederen en diensten nam in 2021 met 0,7% toe terwijl de prijzen gemiddeld met 8% stegen. De prijzen voor energie, kunstmest en aangekocht veevoer stegen het sterkst met respectievelijk 18,5%, 16,8% en 13,5%, maar ook zaaizaad en pootgoed (+5,5%) en onderhoud gebouwen en machines (+4%) liepen in prijs op. Doordat het volume van de output iets daalde en het volume van de kosten licht steeg nam de productiviteit af. Ook de ruilvoet verslechterde iets doordat de gemiddelde kostprijs sterker steeg dan de gemiddelde opbrengstprijs.

De bruto toegevoegde waarde van de landbouw in de totale EU-27 is door deze ontwikkelingen met 4% toegenomen en komt daarmee weer op het niveau van 2019. Door hogere afschrijvingen en belastingen en lagere subsidies bleef de stijging van het gemiddelde factorinkomen in EU-27 beperkt tot zo’n 2,8%. Door de inflatiecorrectie en het iets grotere arbeidsvolume (+0,3%) stijgt het reële factorinkomen per arbeidskracht in de EU-27 per saldo met 0,7%.




Kies een sector
Contactpersoon
David Verhoog
070-3358180
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties
7107262/5-15122015-BP-EN.pdf/ed3d0366-88e8-4187-ab6d-0a33d14b2d0f
ed3d0366-88e8-4187-ab6d-0a33d14b2d0f


 



Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



Top of page