Aanvoer en besomming in de oestercultuur
Laatste update: 10 juli 2026 Update frequentie: Jaarlijks
De meest recente aanvoercijfers van de oesterkweek betreffen het jaar 2024 (CBS, 2026). In dat jaar bedroeg de totale aanvoer van Japanse oesters en platte oesters 27,5 mln. stuks, waarvan 92% Japanse oesters (25,2 mln. stuks) en 8% uit platte oesters (2,3 mln. stuks). De aanvoer van beide soorten nam daarmee fors toe ten opzichte van 2023 (+64% en +74%).
De Nederlandse oesterkweek richt zich op twee soorten: de Japanse oester en de (inheemse) platte oester. Deze twee oesters worden met vergunning op door de overheid aangewezen gebieden in de Oosterschelde en de Grevelingen semi-natuurlijk gekweekt. Dit wil zeggen dat de kweek start met de natuurlijke vestiging van jonge wilde oesters die in die gebieden ronddrijven (‘oesterbroed’) of door de aankoop van jonge oesters bij zogenoemde hatcheries, waar jonge oesters gekweekt worden. Vervolgens worden deze oesters door de kwekers regelmatig opgevist, waarbij ze gecheckt en geselecteerd worden en ook verplaatst worden naar andere gebieden. Een deel van de oesters wordt sinds een paar jaar ook ‘off-bottom’ gekweekt, waarmee predatie door de Japanse oesterboorder voorkomen wordt. De gebieden waar oesters gekweekt worden zijn enerzijds van de overheid gehuurde afgebakende percelen en anderzijds zogenaamde ‘vrije gronden’. Deze laatste categorie gebieden wordt niet gehuurd van de overheid en bevatten ook geen afgebakende percelen, maar hier is wel een vergunning voor nodig.
De Japanse oester is een oestersoort die oorspronkelijk niet in Nederland voorkomt. In 1964 is deze soort geïntroduceerd in de Oosterschelde en is inmiddels de belangrijkste commerciële oestersoort voor de Zeeuwse oesterkweek. De platte oester is een oestersoort die van oudsher voorkomt in alle Zeeuwse wateren en, in vroeger tijden, ook in de Noordzee (tot een eeuw geleden was zo’n 20% van de Noordzee bedekt met oesterbanken). Waar deze soort voorheen veelvuldig voorkwam in de Zeeuwse wateren, zijn de aantallen flink gedaald sinds de introductie van de bonamia parasiet in de jaren ‘70. Dit heeft tot gevolg gehad dat het verspreidingsgebied nog verder gekrompen is en de platte oester daardoor tegenwoordig voornamelijk voorkomt in de Grevelingen.
De aanvoer van platte oesters nam tussen 2012 en 2016 toe van gemiddeld minder dan 2 mln. naar een piek van 8,4 mln. stuks, mede door een toegenomen weerstand tegen bonamia. Sindsdien is de aanvoer sterk afgenomen, onder andere door lage broedval, het herpesvirus en predatie. In 2024 kwam de aanvoer uit op 2,3 mln. stuks, 74% meer dan in 2023, maar nog altijd ruim onder het tienjarig gemiddelde over 2014-2023.
Om predatie door de oesterboorder tegen te gaan, wordt sinds 2018 geëxperimenteerd met zogenoemde off-bottomkweek. Hierbij worden oesters op stellages boven de bodem gekweekt, zodat oesterboorders er moeilijker bij kunnen. In 2020 kwam hiervoor 50 hectare beschikbaar; in 2022 was dit uitgebreid naar ruim 100 hectare. Ter vergelijking: de reguliere percelen voor oesterkweek beslaan ongeveer 1.365 hectare. Kwekers krijgen binnen het off-bottomgebied ruimte toegewezen naar rato van hun recht op percelen.
De Nederlandse oesterkweek richt zich op twee soorten: de Japanse oester en de (inheemse) platte oester. Deze twee oesters worden met vergunning op door de overheid aangewezen gebieden in de Oosterschelde en de Grevelingen semi-natuurlijk gekweekt. Dit wil zeggen dat de kweek start met de natuurlijke vestiging van jonge wilde oesters die in die gebieden ronddrijven (‘oesterbroed’) of door de aankoop van jonge oesters bij zogenoemde hatcheries, waar jonge oesters gekweekt worden. Vervolgens worden deze oesters door de kwekers regelmatig opgevist, waarbij ze gecheckt en geselecteerd worden en ook verplaatst worden naar andere gebieden. Een deel van de oesters wordt sinds een paar jaar ook ‘off-bottom’ gekweekt, waarmee predatie door de Japanse oesterboorder voorkomen wordt. De gebieden waar oesters gekweekt worden zijn enerzijds van de overheid gehuurde afgebakende percelen en anderzijds zogenaamde ‘vrije gronden’. Deze laatste categorie gebieden wordt niet gehuurd van de overheid en bevatten ook geen afgebakende percelen, maar hier is wel een vergunning voor nodig.
De Japanse oester is een oestersoort die oorspronkelijk niet in Nederland voorkomt. In 1964 is deze soort geïntroduceerd in de Oosterschelde en is inmiddels de belangrijkste commerciële oestersoort voor de Zeeuwse oesterkweek. De platte oester is een oestersoort die van oudsher voorkomt in alle Zeeuwse wateren en, in vroeger tijden, ook in de Noordzee (tot een eeuw geleden was zo’n 20% van de Noordzee bedekt met oesterbanken). Waar deze soort voorheen veelvuldig voorkwam in de Zeeuwse wateren, zijn de aantallen flink gedaald sinds de introductie van de bonamia parasiet in de jaren ‘70. Dit heeft tot gevolg gehad dat het verspreidingsgebied nog verder gekrompen is en de platte oester daardoor tegenwoordig voornamelijk voorkomt in de Grevelingen.
Aanvoer
Tussen 2013 en 2019 daalde de aanvoer van Japanse oesters geleidelijk van 27,5 naar 15,1 mln. stuks, voornamelijk als gevolg van sterfte door het herpesvirus en predatie door de Japanse oesterboorder. In de jaren daarna volgde gedeeltelijk herstel, al bleef de aanvoer schommelen. In 2024 kwam de aanvoer uit op 25,2 mln. stuks, 64% meer dan in 2023 en 24% meer dan het tienjarig gemiddelde over 2014-2023.De aanvoer van platte oesters nam tussen 2012 en 2016 toe van gemiddeld minder dan 2 mln. naar een piek van 8,4 mln. stuks, mede door een toegenomen weerstand tegen bonamia. Sindsdien is de aanvoer sterk afgenomen, onder andere door lage broedval, het herpesvirus en predatie. In 2024 kwam de aanvoer uit op 2,3 mln. stuks, 74% meer dan in 2023, maar nog altijd ruim onder het tienjarig gemiddelde over 2014-2023.
Om predatie door de oesterboorder tegen te gaan, wordt sinds 2018 geëxperimenteerd met zogenoemde off-bottomkweek. Hierbij worden oesters op stellages boven de bodem gekweekt, zodat oesterboorders er moeilijker bij kunnen. In 2020 kwam hiervoor 50 hectare beschikbaar; in 2022 was dit uitgebreid naar ruim 100 hectare. Ter vergelijking: de reguliere percelen voor oesterkweek beslaan ongeveer 1.365 hectare. Kwekers krijgen binnen het off-bottomgebied ruimte toegewezen naar rato van hun recht op percelen.
Volume
De grafieken op deze pagina zijn visueel gepresenteerd en zijn niet goed leesbaar met screenreaders.
Grafiek wordt geladen...
De aanvoer van oesters stijgt in 2024 naar 27,5 mln. stuks.
Waarde
De grafieken op deze pagina zijn visueel gepresenteerd en zijn niet goed leesbaar met screenreaders.
Grafiek wordt geladen...
De opbrengst aan oesters nam in 2024 toe tot 7,0 mln. euro.
Opbrengst
Volgens cijfers van CBS kwam in 2024 kwam de gemiddelde stukprijs van Japanse oesters uit op €0,23, een lichte afname (-9%) ten opzichte van 2023. Ook de stukprijs van platte oesters nam licht af (-4%) tot €0,55 (CBS, 2025).
Door het herstel in de aanvoer namen ook de opbrengsten van beide soorten toe, ondanks lagere gemiddelde prijzen dan in 2023. De opbrengst van Japanse oesters steeg in 2024 naar 5,8 mln. euro (+50%) en die van platte oesters naar 1,1 mln. euro (+66%). De totale opbrengst kwam daarmee uit op 7,0 mln. euro, 52% hoger dan in 2023, maar nog altijd 28% onder het tienjarig gemiddelde over 2014-2023.
Bij deze cijfers moeten een aantal kanttekeningen worden vermeld. Zo is het mogelijk dat in de door het CBS verzamelde prijsgegevens niet alleen de opbrengsten van oesters van kwekers zijn verzameld, maar ook van kwekers/handelaren die oesters importeren en verkopen en andere verkoopprijzen hanteren. Hierdoor zou er een discrepantie kunnen zijn tussen de gemiddelde verkoopwaarde zoals uit de beschikbare gegevens naar voren komt en de verkoopwaarde voor uitsluitend kwekers. Het is niet bekend in hoeverre hiervan sprake is. Daarnaast worden oesters in allerlei manieren en hoeveelheden verkocht (bijvoorbeeld in kleine aantallen, in grote aantallen, in bulk of in mandje). De manier van verkoop kan dus leiden tot grote verschillen in de stukprijs.
De hier gepresenteerde gegevens worden verzameld door het CBS via een enquête. Deze gegevensverzameling werd voorheen, tot medio 2015, uitgevoerd door het Productschap Vis. Door verschillen in vraagstelling of verwerking kan dit tot kleine discrepanties hebben geleid.
