Stikstofbemesting op melkveebedrijven
Laatste update: 17 december 2024 Update frequentie: Jaarlijks
Op de melkveebedrijven waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is gericht, is gemiddeld een derde van de gebruikte stikstof afkomstig uit kunstmest en ongeveer twee derde uit dierlijke mest. Overige organische meststoffen zoals compost worden nauwelijks gebruikt. In de periode 2006-2023 is de verhouding stikstof uit kunstmest en dierlijke mest vrijwel stabiel. In 2023 is het totale stikstofgebruik door melkveebedrijven gemiddeld ongeveer 4 kg per ha toegenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. Het stikstofgebruik in de Klei- en Lössregio is gedaald met respectievelijk 7 en 17 kg per ha ten opzichte van het voorgaande jaar. In de Veen- en Zandregio is het stikstofgebruik gestegen in 2023 met respectievelijk 18 en 5 kg per ha cultuurgrond ten opzichte van het voorgaande jaar.
Gemiddelde
Grafiek wordt geladen...
Het stikstofgebruik per ha cultuurgrond op melkveebedrijven in Nederland is gestegen met 4 kg per ha in 2023 ten opzichte van het jaar ervoor. Het jaar 2023 betreft voorlopige cijfers.
Herkomst
Grafiek wordt geladen...
Het aandeel kunstmest in het totaal mestgebruik op melkveebedrijven bedraagt ongeveer een derde deel. Het jaar 2023 betreft voorlopige cijfers.
Regio
Grafiek wordt geladen...
In de Kleiregio is het stikstofgebruik per ha het hoogst en in de Lössregio het laagst. Het jaar 2023 betreft voorlopige cijfers.
Historische data
Grafiek wordt geladen...
Het mestgebruik op melkveebedrijven in Nederland daalde van ongeveer 600 kg N per ha in de jaren negentig naar ongeveer 400 kg N per ha in de eerste jaren na de eeuwwisseling.
Kunstmestgebruik afgenomen
De stikstofgift uit kunstmest per ha cultuurgrond op melkveebedrijven laat over de gehele periode 1991-2023 een daling zien. Ten opzichte van 2022 is het gebruik van kunstmest in 2023 met gemiddeld ongeveer 7 kg per ha toegenomen. Reden kan zijn dat doordat de ruimte voor dierlijke mest geringer is door afbouw van derogatie, het gebruik van kunstmest toeneemt. Daarnaast is het kunstmestgebruik in 2022 op een lager niveau dan de voorliggende jaren. Ten opzichte van de vijf voorgaande jaren lag het kunstmestgebruik in 2023 op een vergelijkbaar niveau. Melkveebedrijven in de Kleiregio hadden gemiddeld genomen het hoogste stikstofgebruik uit kunstmest, te weten 130 kg stikstof per ha in 2023. De melkveebedrijven in de Zand- en Veenregio gebruikten in 2023 het minste met respectievelijk 102 en 101 kg stikstof uit kunstmest per ha. In de Lössregio gebruikten de melkveebedrijven waarop het LMM is gericht in 2023 107 kg kunstmest per ha.Zandregio
Grafiek wordt geladen...
Op melkveebedrijven in de Zandregio daalt het mestgebruik van zowel dierlijke mest als kunstmest in de periode 2006-2023. Het jaar 2023 betreft voorlopige cijfers.
Kleiregio
Grafiek wordt geladen...
Op melkveebedrijven in de Kleiregio stijgt het mestgebruik tot aan 2017. Daarna neemt het geleidelijk af. Het jaar 2023 betreft voorlopige cijfers.
Veenregio
Grafiek wordt geladen...
Op melkveebedrijven in de Veenregio bestaat het mestgebruik in 2023 voor 69% uit dierlijke mest en 31% uit kunstmest. Het jaar 2023 betreft voorlopige cijfers.
Lössregio
Grafiek wordt geladen...
Op melkveebedrijven in de Lössregio daalt het mestgebruik tot aan 2012 waarna het stijgt tot aan 2017. Daarna neemt het geleidelijk af. Het jaar 2023 betreft voorlopige cijfers.
Historische data Zandregio
Grafiek wordt geladen...
Het mestgebruik op melkveebedrijven in de Zandregio daalde van ongeveer 600 kg N per ha in de jaren negentig naar ongeveer 400 kg N per ha in de eerste jaren na de eeuwwisseling.
Historische data Kleiregio
Grafiek wordt geladen...
Het mestgebruik op melkveebedrijven in de Kleiregio daalde van ongeveer 600 kg N per ha in de jaren negentig naar ongeveer 400 kg N per ha in de eerste jaren na de eeuwwisseling.
Historische data Veenregio
Grafiek wordt geladen...
Het mestgebruik op melkveebedrijven in de Veenregio daalde van ongeveer 550 kg N per ha in de jaren negentig tot onder de 400 kg N per ha in de eerste jaren na de eeuwwisseling.
Mede als gevolg van de lagere stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest bij derogatie voor zand- en lössgrond in de provincies Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel en Utrecht, is het gemiddelde dierlijke mestgebruik sinds 2006 afgenomen, vooral in de Zandregio. In de andere regio’s was dat minder het geval. In de periode 2006-2023 schommelde het stikstofgebruik uit dierlijke mest in de Klei-, Zand-, Löss- en Veenregio tussen gemiddeld 173 kg per ha in 2023 (Lössregio) en 243 kg per ha in 2014 (Veenregio). Ten opzichte van het voorgaande jaar is het dierlijke mestgebruik in 2023 met gemiddeld 2 kg per ha afgenomen (2023: 216 kg N per ha). In vergelijking met de vijf voorgaande jaren was het gebruik in 2023 9 kg stikstof per ha lager.
Het gebruik van overige organische mest is in 2023 afgenomen. Gemiddeld genomen nam het gebruik van stikstof uit overige organische stof af van 2 naar 1 kg per ha.
Stikstofbemesting veel lager dan in 1991-1998
Als over de periode 1991-2023 wordt gekeken naar de stikstofbemesting per ha cultuurgrond, is een forse afname in de periode voor 2006 zichtbaar. Als reactie op de mestwetgeving zijn melkveehouders de stikstof in dierlijke mest efficiënter gaan benutten. Die ontwikkeling heeft samen met de oplopende kunstmestprijzen geleid tot een sterke afname in het gebruik van stikstofkunstmest. Ook het gebruik van organische mest (vooral dierlijke mest) is in de jaren na 2006 gemiddeld 30% lager dan het gemiddelde gebruik in de periode 1991-1998. Het vanaf 2006 geldende gebruiksnormenstelsel met restricties op het gebruik van dierlijke mest en kunstmest legt het gebruik van meststoffen verder aan banden.Over de indicator
Deze indicator beschrijft de totale hoeveelheid stikstof uit meststoffen die per ha cultuurgrond wordt gebruikt. Er zijn 3 typen meststoffen: kunstmest, dierlijke mest (inclusief weidemest) en overige organische meststoffen. De totale hoeveelheid gebruikte mest op bedrijfsniveau wordt berekend als:Mestgebruik bedrijf = Productie + Beginvoorraad – Eindvoorraad + Aanvoer – Afvoer.
De productie van dierlijke mest wordt bepaald uit de aantallen dieren per diercategorie en de excretie per dier (norm of specifieke berekening). Voor stikstof betreft het de nettoproductie na aftrek van gasvormige verliezen uit stal en opslag. Begin- en eindvoorraden en aan- en afvoer van meststoffen worden bepaald aan de hand van de opgave in Bedrijveninformatienet. De nutriëntengehalten worden specifiek per bedrijf gehanteerd indien voorhanden en anders worden forfaitaire normen gebruikt.
Bron en getoonde groep bedrijven
De gegevens voor beide indicatoren zijn afkomstig uit het Bedrijveninformatienet van Wageningen Social & Economic Research. Binnen het Bedrijveninformatienet verzamelt Wageningen Social & Economic Research bedrijfsgegevens over ongeveer 1.500 individuele land- en tuinbouwbedrijven. De verzamelde gegevens betreffen vooral financieel-economische en duurzaamheidsgegevens.Alleen bedrijven in het Bedrijveninformatienet die binnen de definitie van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) vallen, worden getoond. Voor de bedrijven geldt dat ze minimaal 25.000 euro Standaardopbrengst hebben en 10 of meer ha cultuurgrond gebruiken.