Voor deze update zijn de resultaten voor de staldierbedrijven waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) gericht is, over 2024 bepaald op basis van een voorlopige set bedrijfsgegevens. Alleen staldierbedrijven in de Zandregio zijn als categorie opgenomen in het LMM.
Mestgebruik
De totale fosfaatbemesting per ha is in 2024 (59 kg/ha) afgenomen (-9 kg/ha) ten opzichte van het voorgaande jaar. Op de staldierbedrijven waarop het LMM is gericht, is gemiddeld ongeveer 97% van het gebruikte fosfaat afkomstig uit dierlijke mest. Kunstmest en overige organische meststoffen (zoals compost) worden nauwelijks gebruikt.
De totale stikstofbemesting per ha is in 2024 (216 kg/ha) afgenomen (-18 kg/ha) ten opzichte van het voorgaande jaar. Op de staldierbedrijven in het LMM is gemiddeld 20% van de gebruikte stikstof afkomstig uit kunstmest en 80% uit dierlijke mest. Het stikstofkunstmestgebruik per ha in 2024 is aanzienlijk lager (-27 kg/ha) dan het gemiddelde van de vijfvoorgaande jaren. Overige organische meststoffen zoals compost worden nauwelijks gebruikt (<1%).
Overige bedrijfskenmerken
Op staldierbedrijven in het LMM is de opslagcapaciteit voor mest in de periode 2006-2024 toegenomen tot gemiddeld ongeveer 10,3 maanden. Dat is 1,2 maanden meer dan in 2006.
Beregening
Op de staldierbedrijven waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) gericht is, neemt het aandeel van de bedrijven dat beregent af (5% in 2024 ten opzichte van 17% in 2023). De beregeningsintensiteit (uitgedrukt in millimeters) is in de periode 2010-2024 het hoogst in 2018, met 124 mm. In 2024 is de watergift afgenomen tot 34 mm.
Volgende update
Bij de eerstvolgende update, naar verwachting in de zomer van 2026, zullen de definitieve resultaten over de bedrijfsvoering in het jaar 2024 worden gepresenteerd. Daarnaast worden dan de artikelen over opzet en structuur van de bedrijven geactualiseerd met het jaar 2025.
Over het LMM
Het LMM is ontwikkeld om de effecten van het Nederlandse mestbeleid op de nutriƫntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit landbouwbronnen naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Het RIVM is verantwoordelijk voor de metingen van de waterkwaliteit en Wageningen Social & Economic Research is verantwoordelijk voor de vastlegging van de landbouwpraktijk.