Basismeetnet

Staldierbedrijven

Gepubliceerd op 31 juli 2026

Update van resultaten staldierbedrijven

Deze update over 2024 is gebaseerd op een complete set van bedrijfsgegevens. Deze bedrijfsgegevens zijn afkomstig van de overige dierbedrijven waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) gericht is. Daarnaast zijn de artikelen over de opzet en structuur van staldierbedrijven geactualiseerd met gegevens uit het jaar 2025. Alleen staldierbedrijven in de Zandregio zijn als categorie opgenomen in het LMM.

Mestgebruik

De totale fosfaatbemesting per ha is in 2025 (61 kg/ha) afgenomen (-6 kg/ha) ten opzichte van het voorgaande jaar. Op de staldierbedrijven waarop het LMM is gericht, is gemiddeld ongeveer 96% van het gebruikte fosfaat afkomstig uit dierlijke mest. Kunstmest en overige organische meststoffen (zoals compost) worden nauwelijks gebruikt.

De totale stikstofbemesting per ha is in 2024 (229 kg/ha) afgenomen (-1 kg/ha) ten opzichte van het voorgaande jaar. Op de staldierbedrijven in het LMM is gemiddeld 22% van de gebruikte stikstof afkomstig uit kunstmest en 77% uit dierlijke mest. Overige organische meststoffen zoals compost worden nauwelijks gebruikt (<1%).

Overige bedrijfskenmerken

Op staldierbedrijven in het LMM is de opslagcapaciteit voor mest in de periode 2006-2024 toegenomen tot gemiddeld ongeveer 10,3 maanden. Dat is 1,1 maand meer dan in 2006.

Beregening

Op de staldierbedrijven waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) gericht is, neemt het aandeel van de bedrijven dat beregent af (5% in 2024 ten opzichte van 16% in 2023). De beregeningsintensiteit (uitgedrukt in millimeters) is in de periode 2010-2024 het hoogst in 2018, met 124 mm. In 2024 is de watergift afgenomen tot 29 mm.

Opzet en structuur

Staldierbedrijven in het LMM zijn in de periode 2000-2025 gemiddeld ruim verdubbeld in omvang, gemeten in aantal grootvee-eenheden (GVE). In 2025 was het totaal aantal fosfaat-GVE per bedrijf ongeveer 532; in 2000 was dit nog 237 fosfaat-GVE per bedrijf. In 2024 hebben de staldierbedrijven waarop het LMM gericht is gemiddeld 33 ha cultuurgrond in gebruik. De staldierbedrijven in het LMM hebben in de afgelopen jaren een vrij stabiel bouwplan. Marktbare gewassen (niet-voedergewassen) en gras zijn dominant, met elk ruim een derde van het areaal cultuurgrond. Het aandeel biologische staldierbedrijven is in 2025 met 6,1% vergelijkbaar met het voorgaande jaar (2024: 6,0%). Hetzelfde geldt voor het aandeel cultuurgrond van biologische staldierbedrijven ten opzichte van het totaal areaal cultuurgrond. In 2025 bedraagt dat 2,6%, tegenover 2,7% in het jaar ervoor.

Volgende update

Bij de eerstvolgende update, naar verwachting eind 2026, zullen de voorlopige resultaten over de bedrijfsvoering in het jaar 2025 worden gepresenteerd.

Over het LMM

Het LMM is ontwikkeld om de effecten van het Nederlandse mestbeleid op de nutriƫntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit landbouwbronnen naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Het RIVM is verantwoordelijk voor de metingen van de waterkwaliteit en Wageningen Social & Economic Research is verantwoordelijk voor de vastlegging van de landbouwpraktijk.