Hogere bodemoverschotten op melkveebedrijven in 2024
In deze update worden de voorlopige resultaten van 2024 gepubliceerd voor melkveebedrijven waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) gericht is.
Het jaar 2024 was ten opzichte van de periode 2006-2023 een gemiddeld jaar wat betreft grasopbrengsten per ha. De maisopbrengsten per ha waren in 2024 duidelijk lager dan het gemiddelde van de periode 2006-2023. Vooral de maisopbrengsten in de Löss-, Veen- en Zandregio waren lager dan in het voorgaande jaar. In de Kleiregio bleef de daling beperkt. De meetmelkproductie per ha was in 2024 lager dan in het voorgaande jaar.
Mestgebruik en beregening
In 2024 is het totale stikstofgebruik door melkveebedrijven in het LMM gemiddeld iets afgenomen tot ongeveer 322 kg stikstof per ha. Het gebruik van stikstof uit dierlijke mest was lager, terwijl het gebruik van stikstof uit kunstmest hoger was dan het jaar ervoor. Het stikstofmestgebruik in 2024 was ook lager dan het gemiddelde van de vijf voorgaande jaren. Het gebruik van fosfaat uit dierlijke mest was in 2024 ook verder gedaald en bedroeg ongeveer 68 kg per ha.
In het natte jaar 2024 werd er nauwelijks beregend, in tegenstelling tot eerdere jaren. Het aandeel van de melkveebedrijven dat beregent, is sinds 2018 toegenomen. In 2023 paste ongeveer 29% van de melkveebedrijven beregening toe. In 2024 was dit aandeel slechts 2%. Door middel van beregening wordt getracht om de droogteschade aan de opbrengst en kwaliteit van voedergewassen te beperken en de gebruikte meststoffen zo goed mogelijk te benutten. Vanwege de droogte hebben melkveebedrijven de gewassen in de periode 2018-2020 en 2022 ook intensiever moeten beregenen. In 2023 was dit gemiddeld 48 mm op de beregende oppervlakte, in 2024 was dit gemiddeld 59 mm en daarmee hoger dan in het voorgaande jaar. De gemiddelde graslandopbrengst in 2024 was 1% hoger dan het jaar ervoor, de maisopbrengst was 13% lager. In alle regio’s was de maisopbrengst in 2024 lager.
Overschotten en benuttingsgraad
De fosfaatoverschotten op melkveebedrijven in het LMM zijn in 2024 gemiddeld -3 kg per ha, wat vergelijkbaar is met de jaren 2016 en 2017. Een negatief overschot betekent dat er per saldo fosfaat onttrokken is aan de bodem. Dit is ongeveer 5 kg per ha lager dan het vijfjaarlijks gemiddelde van 2019-2023. In alle regio’s was het fosfaatoverschot negatief, behalve in de Lössregio. De afvoer van fosfaat per ha op bedrijfsniveau (2024: 71 kg per ha) is 7 kg per ha hoger dan de vijf voorafgaande jaren. Bij een hogere aanvoer per ha op bedrijfsniveau (2024: 68 kg fosfaat per ha) dan de voorliggende jaren bedroeg het tekort in 2024 3 kg fosfaat per ha. De benuttingsgraad van fosfaat op bodemniveau bedroeg in 2024 gemiddeld 106%, wat betekent dat er per saldo fosfaat aan de bodem wordt onttrokken door het gewas.
Het gemiddelde stikstofbodemoverschot bedroeg in 2024 153 kg stikstof per ha, wat vergelijkbaar is met het overschot in het jaar 2022. Dit overschot is ongeveer 24 kg per ha hoger dan het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren. In 2024 hadden melkveehouders in de Zand- en Lössregio een bodemoverschot van respectievelijk 133 en 126 kg stikstof per ha. Melkveebedrijven in de Kleiregio (164 kg stikstof per ha) zaten daarboven, evenals die in de Veenregio (190 kg stikstof per ha). In de Veenregio speelt de stikstof die vrijkomt bij mineralisatie een rol in het overschot en in de benutting. De benuttingsgraad van stikstof op bodemniveau bedroeg in 2024 gemiddeld 62%. De benuttingsgraad op bodemniveau van stikstof is in het algemeen lager dan die van fosfaat omdat bij stikstof vervluchtiging plaatsvindt.
Volgende update
Bij de eerstvolgende update, naar verwachting in de zomer van 2026, zullen de definitieve resultaten over de bedrijfsvoering in het jaar 2024 worden gepubliceerd. Daarnaast zullen artikelen verschijnen over de structuur van melkveebedrijven in het jaar 2025.
Over het LMM
Het LMM is ontwikkeld om de effecten van het Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit landbouwbronnen naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Het RIVM is verantwoordelijk voor de metingen van de waterkwaliteit en Wageningen Social & Economic Research is verantwoordelijk voor de vastlegging van de landbouwpraktijk.