Deze update beschrijft de resultaten over 2024 voor akkerbouwbedrijven waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) gericht is. In 2024 hadden de akkerbouwers het niet gemakkelijk. Het natte voorjaar zorgde ervoor dat zaaien en poten lastig was na een nat najaar met veel structuurbederf. Vooral in de Kleiregio vielen de gewasopbrengsten flink lager uit dan normaal, vooral bij de granen. Terugkijkend naar de periode 2019-2023, lagen de opbrengsten in 2024 veelal onder het gemiddelde. Dit had gevolgen voor de stikstofbalans: minder opbrengst betekent minder afvoer van stikstof, wat leidde tot hogere stikstofoverschotten op bedrijfs- en bodemniveau. In 2024 was het stikstofbedrijfsoverschot gemiddeld 116 kilogram stikstof per ha en het stikstofbodemoverschot 121 kilogram stikstof per ha. Dit is een stijging van het bodemoverschot ten opzichte van 2023, en respectievelijk 14 en 10 kg per ha hoger dan het gemiddelde van de vijf voorgaande jaren .
Stikstofbemesting
De gemiddelde stikstofbemesting in 2024 bedroeg 221 kilogram stikstof per ha. De stikstofbemesting in 2024 bestond uit dierlijke mest (104 kilogram stikstof per ha), kunstmest (96 kilogram stikstof per ha) en organische meststoffen zoals compost (22 kilogram stikstof per ha). Er waren duidelijke verschillen tussen regio’s. In de Löss- en Zandregio werd gemiddeld 176 tot 198 kilogram stikstof per hectare gebruikt, terwijl in de Kleiregio 233 kilogram stikstof per ha werd gebruikt.
Sinds de invoering van het gebruiksnormenstelsel in 2006 is er veel veranderd. Het gebruik van stikstofkunstmest is met 40 kilogram stikstof per ha gedaald, terwijl het gebruik van dierlijke mest en overige organische meststoffen beide juist met 11 kilogram stikstof per ha is gestegen.
Fosfaatbemesting & -bodemoverschot
Het gebruik van fosfaatmeststoffen was in 2024 gemiddeld 64 kilogram fosfaat per ha, een daling van 17 kilogram fosfaat per ha ten opzichte van 2006. Door strengere gebruiksnormen is het bemestingsniveau in de Lössregio lager dan in de Klei- en Zandregio.
In 2024 bedroeg het fosfaatbodemoverschot gemiddeld 20 kilogram fosfaat per ha: dit is bijna het dubbele van 2023. Het fosfaatbodemoverschot kent een grote variatie tussen regio’s: in 2024 van 4 kg per ha in de Lössregio tot 22 kg per ha in Kleiregio.
Beregening steeds belangrijker
Beregening wordt in de afgelopen jaren steeds vaker ingezet door akkerbouwers om droogteschade te beperken en meststoffen beter te benutten. Door het natte voorjaar werd er in 2024 minder beregend dan in 2023. 43% van de akkerbouwers beregende hun gewassen, dit is duidelijk minder dan in 2023. Ook de hoeveelheid water die werd gegeven – gemiddeld 29 millimeter – was ongeveer de helft van het gemiddelde in de afgelopen vijf jaar. Er zijn verschillen tussen regio’s. In 2024 beregende 19% van de bedrijven in de Zandregio, 62% in de Kleiregio en geen enkel steekproefbedrijf in de Lössregio.
Benutting van meststoffen
De benutting van stikstof en fosfaat op akkerbouwbedrijven was in 2024 wisselend. In de Löss- en Zandregio was de stikstofbenuttingsgraad respectievelijk 56% en 52%, terwijl dit in de Kleiregio slechts 45% was. Fosfaat werd beter benut: gemiddeld 75% over alle regio’s. De Lössregio scoorde het hoogst met een benuttingsgraad van 106%, terwijl de Zandregio en Kleiregio een benuttingsgraad van respectievelijk 77% en 73% haalden. In het mestbeleid wordt gestreefd naar evenwichtsbemesting (inclusief een onvermijdbaar verlies van 5 kg fosfaat per ha) en het verlagen van hoge fosfaatbodemtoestanden.
Volgende update
Bij de eerstvolgende update, naar verwachting in de zomer van 2026, zullen de definitieve resultaten over de bedrijfsvoering in het jaar 2024 worden gepubliceerd. Daarnaast zullen artikelen verschijnen over de structuur van akkerbouwbedrijven in het jaar 2025.
Over het LMM
Het LMM is ontwikkeld om de effecten van het Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit landbouwbronnen naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Het RIVM is verantwoordelijk voor de metingen van de waterkwaliteit en Wageningen Social & Economic Research is verantwoordelijk voor de vastlegging van de landbouwpraktijk.